Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V. Onderwijs.

„Het openbaar onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regering.

De inrigting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld.

Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend openbaar lager onderwijs gegeven.

Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers; het een en ander door de wet te regelen.

De Koning doet van den staat der hooge-, middelbare en lagere scholen jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven."

Aldus art. 192 der Grondwet, dat met het artik'el over het armbestuur (193) het Tiende Hoofdstuk vormt.

Zooals wij reeds eerder zagen •), heeft deze bepaling bij de laatste herziening geen wijziging ondergaan. Bij de herziening van 1848 is zij in den tegenwoordigen vorm in de Grondwet opgenomen. Vóór dien tijd trad deze niet in bijzonderheden: de overeenkomstige artikelen der Grondwetten van 1814 en 1815 bestonden slechts uit het eerste en het laatste lid, waarvan het eerste niet anders dan een sententia declaratoria mocht heeten. De eisch van regeling bij de wet werd niet gesteld. Toch bestond toen reeds een voor het geheele land geldende wettelijke regeling.

Gedurende de Republiek der Vereenigde Nederlanden lieten zoowel de gewestelijke Staten als de plaatselijke besturen zich gelegen liggen aan het volksonderwijs, en zelfs de Staten-Generaal vaardigden schoolverordeningen uit. Toch was het algemeene volksonderwijs aan het einde der achttiende eeuw zeer gebrekkig. Er ontbrak eene algemeene organisatie van het schoolwezen; er was geen bepaald algemeen toezicht of bestuur, dat kennis nam van de behoeften en den gang van het volksonderwijs. Het beginsel, dat iedere provincie, ja, iedere stad souverein was in haren kring, had ten gevolge dat in elk gewest verschillende bepalingen bestonden betrekkelijk deze aangelegenheid en dat de onmisbare eenheid ontbrak. Niet te verwonderen is het, dat tijdens de omwenteling van 1795 krachtig op

1) Bladz. 21 v.

Sluiten