Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd opgenomen, was het de bedoeling dit herhalingsonderwijs ook verplicht te stellen. Het daartoe strekkende artikel werd evenwel verworpen.

De omvang waarin en de wijze waarop het herhalingsonderwijs zal worden gegeven, wordt, na overleg met den districts-schoolopziener en na ingewonnen bericht van het hoofd of de hoofden der lagere scholen, door eiken gemeenteraad naar plaatselijke behoeften geregeld. Hierbij moeten echter de volgende voorschriften in acht genomen worden:

1°. Het herhalingsonderwijs moet ten minste gedurende 96 uren

in het jaar worden gegeven;

-°. het moet ten minste vier vakken van onderwijs omvatten, waaronder ten minste twee welke begrepen zijn onder het gewoon schoolonderwijs ');

3°. het moet zóó zijn ingericht, dat ouders, die hunne kinderen niet meer dan 96 uren herhalingsonderwijs in het jaar willen doen genieten, die kinderen een geregelden cursus kunnen doen bijwonen, zonder dat dit aantal uren wordt overschreden; 4°. behoudens voor bepaalde gemeenten of gedeelten van gemeenten door de Kroon te verleenen tijdelijke vrijstelling, moet er voor de meisjes, hetzij deze al dan niet te zamen met jongens aan de lessen deelnemen, gelegenheid zijn om buiten avonduren 96 uren in het jaar herhalingsonderwijs te genieten;

5°. buiten avonduren mogen voor het herhalingsonderwijs niet

meer dan twee halve dagen in de week worden besteed; 6". gedurende de uren, voor het herhalingsonderwijs aangewezen, wordt in de daarvoor bestemde lokalen aan de klassen der gewone lagere school, welke in die lokalen worden onderwezen, geen gewoon lager onderwijs gegeven.

1) Naar de bedoeling der Begeering moet dit aldus verstaan worden, dat hierin .geen beperking is gelegen tot die vakken, welke genoemd worden in art. 2 L. O.

Aan de juistheid hiervan wordt ecliter van verschillende zijden getwijfeld, o. m. op grond, dat de bepalingen zijn gekomen in de plaats van art. 17 L. O. en dus door liet algemeene art. 2 beheerscht worden. Reeds bij de beraadslaging in de Tweede Kamer had dit onderwerp een verschilpunt uitgemaakt tusschen den Minister en den heer Kutpek. Zie ook de bestrijding ontleend aan Gemeentestem n°. 2534, te vinden in't boven aangehaalde werk Hartman—Kooiman, pag. 147. Zie daartegenover evenwel art. 45'"* sub 2°, zooals het luidt na de wijziging bij de wet van 1901, S. 187.

Sluiten