Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene provinciale verordening de handhaving van de daarin vervatte politiebepalingen is opgedragen, op kosten der overtreders te doen wegnemen, beletten, verrichten of in vorigen toestand herstellen, hetgeen in strijd met die politiebepalingen is of wordt gemaakt of gesteld, ondernomen, nagelaten, beschadigd of weggenomen.

Art. 2 wijst aan wie, ingeval van eene dergelijke opdracht tot handhaving van politiebepalingen, met het opsporen der overtredingen belast zullen zijn, en kent het bestuur de bevoegdheid toe, overeenkomstig de bepalingen van reglement of provinciale verordening, met de bekeurden te transigeeren.

De overige bepalingen zijn gewijd aan de wijze van invordering van verschuldigde gelden en daarmede samenhangende bepalingen. Zoo wordt bepaald van welke zaken de besturen de invordering bij dwangbevel (medebrengende het recht van parate executie) kunnen doen geschieden. De verdere bepalingen regelen in hoofdzaak alles wat aan de executie moet voorafgaan en daarop betrekking heeft.

Wat het verzet betreft, dat tegen het dwangbevel wordt toegelaten, is een onderscheid gemaakt voor het geval, dat het dwangbevel is uitgevaardigd ter invordering van de kosten van werken of opruimingen door het bestuur bij weigering of nalatigheid der daartoe verplichten of bij overtreding van verordeningen verricht en dat het verzet gegrond is op de bewering, dat die kosten onnoodig waren of te hoog berekend, of dat den plichtige de noodige tijd om de werken of opruimingen zelf te verrichten niet is gegund en h\j dat op min kostbare wijze had kunnen doen. Slechts in dit geval heeft het verzet bij het bestuur plaats, overigens steeds bij den rechter (artt. 13 en 18).

Ingeval van verzet bij den rechter is op de gewone wijze hooger beroep en cassatie toegelaten; van de uitspraak van het bestuur staat beroep open bij Gedeputeerde Staten en in hoogste instantie bij de Kroon. In beide gevallen moet het gevorderde echter vooraf worden voldaan (artt. 16, 20 en 21).

Ten slotte bepaalt de wet eenerzijds, dat de omslagen en andere lasten van een instelling en de kosten, welke het bestuur besteed heeft voor het ten uitvoer brengen van werken, waartoe de ingeland verplicht was, alleen kunnen worden verhaald op de binnen haar gebied gelegen onroerende goederen van den schuldplichtige, doch worden anderzijds de noodige waarborgen gegeven, dat de schuldplichtige niet door vervreemding van het goed zich aan de betaling onttrekken kan, door het goed zelf verbonden te verklaren en door

81

Sluiten