Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog aan te leggen ijzeren of andere spoorwegen '), werd bepaald, dat de aanvragen gedaan moeten worden bij den Minister van Binnenlandsche Zaken (thans bij dien van Waterstaat). Voor het overige worden de voorwaarden, waarop concessie verleend wordt, geheel aan het Staatsgezag overgelaten. Niemand mag eenen spoorweg aanleggen, zonder verlof der Regeering, die de algemeene richting, de ontwerpen voor aanleg en de begrooting van kosten onderzoekt. Aan de concessie worden voorwaarden verbonden, en het is hier vooral de plicht der Regeering toe te zien, dat het monopolie, uit den aanleg van spoorwegen ontstaande, zoo min mogelijk drukkend worde voor het publiek, dat verplicht is van dit middel van vervoer gebruik te maken. Onder de voorwaarden van concessie behoort gemeenlijk, dat aan den concessionaris het storten van eene zekere som wordt opgelegd tot waarborg van de uitvoering. Het bedrag dezer waarborgsom is afhankelijk van de begrooting van het werk. Wordt door den Staat geldelijke hulp verleend 2), dan zijn de voorwaarden der concessie aan de goedkeuring der wetgevende macht onderworpen.

Bij de ontwikkeling van het spoorwegvervoer bleken de concessiën onvoldoende te zijn. Eene wet was noodig om de spoorwegen op de meest doeltreffende wijze dienstbaar te maken aan het algemeen belang. Zij kwam tot stand op 21 Aug. 1859 (Stbl. n°. 98), en werd vervangen door die van 9 April 1875 (Stbl. n°. 67) 3), waarbij het Staatstoezicht werd verscherpt. Bij deze wet zijn algemeene bepalingen vastgesteld met betrekking tot den dienst en het gebruik der spoorwegen. Zoo is daarbij o. a. voorgeschreven, dat de ondernemers verplicht zijn te gedoogen, dat aan hunne spoorwegen die van anderen zich aansluiten, of dat gene door deze doorsneden worden, en dat de weg waarover hun dienst loopt en de daartoe behoorende stations, ten behoeve van andere spoorwegdiensten worden gebruikt, tegen schadeloosstelling en overeenkomstig een door den Koning vastgesteld reglement. Verder mag geen dienst geopend worden dan

1) Zie Bijv. t. h. Stbl. (ed. d'Engelbronneb) V, blz. 62.

2) In den laatsten tijd worden vooral locaalspoor- en stoomtramwegen met Staatshulp aangelegd. Gewoonlijk wordt deze afhankelijk gesteld van de vraag, of de onmiddellijk belanghebbende streek voldoende geldelijke medewerking verleent en bestaat de Staatshulp in een renteloos voorschot ten bedrage van één derde gedeelte der aanlegkosten.

3) Gewijzigd en aangevuld bij de wetten van 30 December 1880, S. 258, 10 Mei 1882, S. 66, 15 April 1886, S. 64 en 8 April 1893, S. 62.

Sluiten