Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dragen worden zoowel dat, voorzoover kan blijken uit de voor toepassing der Hinderwet, vereischte stukken, de inrichting niet in botsing zal komen met de voorschriften der Veiligheidswet. als wel dat de voorwaarden, door het gemeentebestuur krachtens de Hinderwet aan de vergunning te verbinden, de naleving dier voorschriften niet onmogelijk zullen maken. Van een eigenlijk preventief toezicht in zake de Veiligheidswet, van den eisch eener voorafgaande vergunning voor de onder de wet vallende fabrieken en werkplaatsen is evenwel geen sprake. Daarentegen is wel aan hem, die tot oprichting of uitbreiding eener fabriek of werkplaats wil overgaan, de bevoegdheid gegeven, het bouwplan aan de beoordeeling van den inspecteur te onderwerpen en kan deze, indien zulks gedaan is, den aanvrager alle inlichtingen vragen. Eene verplichting om zulks te doen bestaat niet.

4. Daar wij de Stoomwet reeds eerder bespraken (blz. 516), maken wy thans in de tweede plaats melding van de wet van - Mei 1891, Stbl. n°. 111 tot oprichting van Kamers van Arbeid. Volgens artikel 2 dezer wet is het doel dezer lichamen „debelangen van patroons en werklieden in onderlinge samenwerking te bevorderen door:

a. het verzamelen van inlichtingen over arbeidsaangelegenheden;

b. het dienen van advies aan de hoofden der departementen van algemeen bestuur en de besturen van provinciën en gemeenten, hetzij op aanvrage van die autoriteiten, hetzij uit eigen beweging, ten aanzien van alle onderwerpen welke de belangen van den arbeid raken »);

c. het dienen van advies en het ontwerpen van overeenkomsten en regelingen op verzoek van daarbij belanghebbenden;

d. het vooi komen en vereffenen van geschillen over arbeidsaangelegenheden, ook voor zoover noodig, door te bewerken dat eene scheidsrechterlijke uitspraak tusschen de partijen tot stand kome."

De oprichting van een Kamer van Arbeid geschiedt, waar de behoefte daaraan is gebleken en een behoorlijke samenstelling mogelijk blijkt, bij Koninklijk besluit, op voordracht van den Minister van Binnenlandsche Zaken *). Ontbinding of opheffing hebben op gelijke wijze plaats.

1) Zie K. B. 9 Juli 1901, S. 194.

-) \ roeger dooi dien van W. H. en N.; de zorg voor de uitvoering is «evenwel naar B. Z. overgebracht.

Sluiten