Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

raad onderzocht. Hij beslist de geschillen welke uit deze brieven of uit de verkiezing zelve oprijzen. Van elke verkiezing geeft hij kennis aan Gedeputeerde Staten en den gekozene. Aan den niet-toegelatene, aan elk lid van den Raad, alsmede aan den Burgemeester, wanneer hij geen lid van den Raad is, staat het vrij binnen acht dagen na de beslissing van den Raad, bezwaren bij Gedeputeerde Staten in te dienen, die uitspraak doen. Ook ambtshalve kan dit college tusschenbeiden treden. De Raad of de niet toegelatene hebben weder beroep van de uitspraak van Gedeputeerde Staten op den Koning ').

De leden hebben zitting gedurende zes jaren; een derde treedt om de twee jaren af volgens daarvan op te maken rooster. De tijd van aftreding is op den eersten Dinsdag in September gesteld, terwijl de gewone tijd voor de verkiezing de laatste Dinsdag in Juli is. Ook voor de leden van den Raad is het beginsel van herkiesbaarheid gehuldigd 2). Bij de aanvaarding hunner betrekking leggen zij eveneens een eed af, waarbij zij niet alleen trouw aan de Grondwet en de wet zweren, maar ook dat zij de belangen der gemeente met al hun vermogen zullen bevorderen, terwijl zij tevens den gewonen zuiveringseed afleggen 3).

Den leden van den Raad kan een presentiegeld worden toegekend voor het bijwonen der zittingen, wanneer de raad het bepaalt. Het bedrag daarvan wordt echter door Gedeputeerde Staten, nadat de Raad daarover gehoord is, vastgesteld 4).

Even als voor elke andere vertegenwoordiging wordt van de leden van den Raad de meest mogelijke zelfstandigheid en onpartijdigheid gevorderd: daarom mogen zij noch als pleitbezorger in processen, waarin de gemeente betrokken is, werkzaam zijn, noch deelnemen in onderhandsche pachten van gemeentegoederen of leverantiën 5).

graaf is in verband met de Kieswet in belangrijke punten gewijzigd door de wet van 28 April 1897, S. 110. Iets nieuws daarbij is o. a. de verdeeling der gemeenten boven de 15000 zielen in kiesdistricten.

1) Art. 31 v. Gem. wet.

2) Art. 27 en 7 Gem. wet.

3) Art. 39 ibid. Bij de wet van 28 Mei 189*5, S. 88 is naar analogie van art. 87 der Grondwet de verplichting den eed of de belofte af te leggen „op de wijze zijner godsdienstige gezindheid" vervallen.

4) Art. 68 Gem. wet.

5) Art. 24 ibid.

Sluiten