Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan den landvoogd zou worden overgelaten, wanneer hij de buitengewone leden wilde oproepen, zoo zou hij daartoe verplicht zijn bij de behandeling der jaarlijksche begrooting.

Tengevolge van het aftreden van het Ministerie is dit ontwerp reeds voor tot het afdeelingsonderzoek was overgegaan ingetrokken.

c. Departementen van algemeen bestuur.

De verschillende takken van het algemeen burgerlijk bestuur worden , onder de bevelen en het oppertoezicht van den GouverneurGeneraal, beheerd door Directeuren, wier getal, werkkring en bevoegdheid door den Koning worden bepaald ').

Kr zijn vijf departementen van civiel bestuur, n.1.1°. van Justitie, 2°. van Binnenlandsch Bestuur, 3°. van Onderwijs, Eeredienst en Mjverheid, 4°. van Burgerlijke openbare werken en 5°. van Financien.

Het militair departement en dat van marine staan, het eerste onder den commandant van het leger, het andere onder dien der zeemacht.

Op zich zelve beschouwd is deze verdeeling zeer eenvoudig; indien men echter nagaat hoe de meest uiteenloopende werkzaamheden aan een en hetzelfde departement zijn opgedragen, rijst wel eens de vraag, hoe het mogelijk is, dat daaruit geene verwarring ontstaat. Ook schijnen de eigenaardige behoeften der verschillende gewesten buiten Java, de zoogenaamde buitenbezittingen, alleszins ïeden te geven om daarvoor een afzonderlijk departement van bestuur op te richten.

De vijf Directeuren vormen, zoo dikwijls de Gouverneur-Generaal hunne samenwerking beveelt, een college, den Raad van Directeuren.

De hervorming in het bovengenoemde ontwerp—Van Dedem beoogd bepaalde zich, wat de departementen van algemeen bestuur aangaat, rechtstreeks alleen tot de opneming van de hoofden der depai tementen van Oorlog en Marine in dezen Raad. Door namelijk in art. 64 van het Regeerings-reglement het woord „burgerlijk" te

1) Reg.-regl. art. 64. Naar aanleiding van dit artikel werden bij K. B. van b lebr. 1855 (Ind. Staatsbl. n°. 23) de departementen van algemeen bestuur ingesteld; dat besluit is later bij K. B. van 21 Sept. 18«6 (Ind. Stbl. n°. 127) en dat van 30 Jan. 1870 (Ind. Stbl. n°. 42) weder gewijzigd en aangevuld, tengevolge waarvan de departementen thans zijn verdeeld als in den tekst aangegeven.

Sluiten