Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en nu werd die grond als aan haar verhuurd beschouwd. De huurprijs was de landrente. Dit beginsel werd nog in 1836 gehuldigd ')• De landrente kon in geld of in natura worden geheven, waarvan de waarde bij besluit vastgesteld werd, en in de nabijheid der desa's moesten pakhuizen opgericht worden tot berging van de in betaling opgebrachte producten. De hoofden genoten voor de inning en verantwoording der gelden, benevens voor politiezorg binnen hunne desa's 8 pet. 2).

Toen de Gouverneur-Generaal Van den Bosch het cultuurstelsel invoerde, werd bepaald, dat de inlander geen rente had te betalen van den grond, dien hij op last van het gouvernement ten behoeve van particulieren zou bewerken. Men kwam echter weldra hiervan terug, doch daarentegen bekwam de inlander plantloon

Aanvankelijk werd in enkele residentiën het landrentestelsel niet ingevoerd.

Ook het Regeerings-reglement beveelt, dat met heffing der landrente voorloopig worde voortgegaan 3). Het lag dus in den geest der wet, dat daarin van lieverlede wijzigingen gebracht moesten worden.

De laatste regeling heeft plaats gehad bij ordonnantie van 3 April 1872 (Ind. Stbl. n°. 66) 4). Zij komt hierop neder: de gronden worden voor den aanslag verdeeld in tien klassen naar hunne gemiddelde bruto-opbrengst per bouw 5) gedurende de drie laatste jaren. In de laagste klasse vallen de gronden, die op meer dan f 10 tot en met f 20.—, in de hoogste, die op meer dan f 100 gemiddelde bruto productie worden geschat. Het bedrag der landrente is voor de laagste klassen f 2, voor de hoogste klasse ƒ20 per bouw, telkens met f 2 opklimmende. De aanslag der desa's heeft plaats over een tijdvak van vijf jaren. Eerst heeft de aanslag desa'sgewijze over al de daaronder behoorende gronden, daarna de repartitie over eiken belastingschuldige plaats. De inning blijft opgedragen aan de desahoofden, die evenals voorheen 8 pet. genieten, en aan inlandsche ambtenaren, die den titel voeren van ondercollecteurs der landelijke

1) Zie o. a. art. 62 van het Regeerings-regl. 1836.

2) Zie publicatie van 23 Maart 1827 (Ind. Stbl. n°. 37).

3) Regeerings-regl., art. 59.

4) Gewijzigd bij ordoiin. van 11 en 30 Dec. 1872 (Ind. Stbl. nos. 219a, 219b en 241); 23 Febr. 1874 (Ind. Stbl. nos. 65a en 65b); 5 April 1876 (Ind. Stbl. nos. 88 en 89), 11 Maart 1878 (Ind. Stbl. n°. 110), 7 Sept. 1884 (Ind. Stbl. n°. 144) en 22 Aug. 1885 (Ind. Stbl. n°. 146).

5) Een bouw staat gelijk met 7096,49 Ms.

Sluiten