Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reeds na 1860 aan particulieren verpacht; de cochenille-teelt van gouvernementswege werd gestaakt; er werden geen nieuwe contracten gesloten voor tabak, en de cultuur daarvan werd eveneens in 1860 geheel overgelaten aan den vrijen arbeid; de verplichte teelt en levering van specerijen op de Molukken was reeds een tiental jaren te voren opgeheven. Van het geheele cultuurstelsel bleef, indien men de koffie buiten rekening laat, eigenlijk niets over dan de op hoog gezag ingevoerde suiker-cultuur. Maar ook bij deze begon weldra het onhoudbare van den kunstraatigen toestand in het oog te vallen. Immers het kunstmatige daarvan bestond voornamelijk daarin, dat de bevolking verplicht werd niet alleen hare gronden voor den aanplant van het riet af te geven, maar ook voor den fabrikant te werken tegen een loon, waarvan het bedrag eenzijdig door het Gouvernement bepaald werd. Ook voor den ondernemer was de toestand op den duur onhoudbaar; zonder een zakelijk recht op den grond te hebben — zelfs niet op dien, waarop zijn fabriek stond — moest hij tegen zware renten de benoodigde gelden opnemen; bovendien werd ook hij verplicht, of zijn belang het medebracht of niet, suiker van eene bij het contract vastgestelde hoedanigheid aan het Gouvernement te leveren tegen eenen bepaalden prijs, die dikwijls lager was dan de productie-kosten. Het Gouvernement zag al die bezwaren in. In het jaar 1858 gelastte het eene enquête; de eene regeling volgde op de andere. De laatste is de wet van 21 Juli 1870 (Stbl. n°. 136, Ind. Stbl. n°. 117). De Regeering is daarbij uitgegaan van het beginsel, om een einde te maken aan het contractenstelsel, ten gevolge waarvan voortaan geene nieuwe contracten worden uitgegeven, en de beschikking over gronden, door de inlandsche bevolking voor eigen gebruik ontgonnen, eindigen moest met den aanplant van het jaar 1890. Na den aanplant van het jaar 1878 verminderde, behoudens verkregene rechten tjjdens de invoering der wet, die beschikking voor elke onderneming jaarlijks trapsgewijze. Aan de contractanten werd gelegenheid gegeven hunne contracten naar de wijziging van het stelsel te veranderen en toe te treden tot de nieuwe regeling. Voor dat geval bepaalde de meergenoemde wet van 21 Juli 1870, dat de Gouverneur-Generaal bij de regeling dezer aangelegenheid in acht moest nemen: dat geene onderneming werd voortgezet waar de druk voor de bevolking het financieel belang van den Staat overschreed; dat gelijktijdig niet meer dan over J- der velden der betrokkene desa werd beschikt; dat de bevolking behoorlijk schadeloos werd gesteld voor de afgifte

Sluiten