Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan wel voor koffie of andere aanplantingen bestemd zijn. In het eerste geval wordt geen huurschat geheven gedurende de eerste zes contract-jaren, in het andere geval in de eerste drie jaren. Verder betaalt men in het eerste geval eerst in het elfde jaar en in het andere geval eerst in het achtste jaar over de geheele uitgestrektheid, terwijl in dien tusschentijd slechts de huurschat over het 1/5, 2/5, 3/5 en 4/5 der uitgestrektheid wordt betaald. Mogen deze voorschriften aan de eene zijde getuigenis dragen van voorzichtigheid , aan de andere zijde zijn zij minder geschikt, om degelijke ondernemingen aan te moedigen. Wie toch zal zich de kosten eener exploitatie van woeste gronden getroosten, indien de duur van zijn bezit zoo wisselvallig is, en hij, bij aanzoek om verlenging, gevaar loopt, door den eersten den besten fortuinzoeker overvleugeld te worden ?

Behalve in huur kunnen gronden ook in erfpacht worden uitgegeven. Het in de zitting der Staten-Generaal van 1865/1866 ingediende ontwerp was het eerste, dat van een ruimere opvatting getuigenis gaf, door nl. het beginsel eener erfpacht met eenen langeren termijn te huldigen, waardoor „de ondernemer met gerustheid de aanzienlijke kapitalen, die de eerste ontginning vereischt, besteden kan." Dit ontwerp, meer bekend onder den naam van cultuurwet, kwam echter niet tot stand. Herhaalde malen zijn na dien tijd ontwerpen ingediend, om deze aangelegenheid bij de wet te regelen, doch telkens mislukten dergelijke pogingen. In 1870 echter is bij de wet van 9 April van dat jaar (Stbl. n°. 71, Ind. Stbl. n°. 55) eene wet tot stand gekomen, de zoogenaamde agrarische wet.

Deze wet strekt tot aanvulling van art. 62 van het Regeeringsreglement ').

Ten aanzien van de uitgifte van gronden in erfpacht bepaalt deze regeling, dat volgens regels, bij algemeene verordening te stellen, voor niet langer dan vijf en zeventig jaren gronden in erfpacht kunnen worden afgestaan. De Gouverneur-Generaal draagt zorg, dat geenerlei afstand van grond inbreuk make op de rechten der inlandsche bevolking, terwijl gronden door Inlanders voor eigen gebruik ontgonnen, of als gemeene weide of uit anderen hoofde tot dorpen behoorende slechts volgens de daarvoor gestelde regels ten algemeenen nutte kunnen worden onteigend of zooals boven

1) Zie aldaar het vierde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid.

44

Sluiten