Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ingezetenen van Nederlandsch-Indië zijn, behalve de inboorlingen des lands, allen die hun verblijf overeenkomstig de voorschriften der wet aldaar gevestigd hebben.

Het verblijf in Nederlandsch-lndië kan evenwel ook van tijdelijken aard zijn. Voor dat geval heeft men van het hoofd van het plaatselijk bestuur een toelatingskaart noodig, welke voor zes maanden geldig is, doch deze termyn kan verlengd worden. Voor blijvende vestiging of inwoning daarentegen is eene schriftelijke vergunning noodig, welke voor Java en Madoera door den Gouverneur-Generaal, voor elders door den hoogsten gewestelijken gezaghebber wordt verstrekt. De aanvrager moet doen blijken genoegzame middelen van bestaan te bezitten of deze door werkzaamheid te kunnen verkrijgen.

Zij die slechts een tijdelijk verblijf bedoelen, hebben voor het geval dat zij reizen willen, daarvoor de vergunning noodig, hetzij van den Gouverneur-Generaal, hetzij van den gewestelijken gezaghebber, al naar gelang hunne reizen Java en Madoera of de Buitenbezittingen gelden. Deze vergunning duurt twee jaren met recht van verlenging. De bovengenoemde voorschriften zijn echter niet van toepassing op personen, die van Rijkswege naar Indië worden gezonden, of op ambtenaren, noch op hen die in Indië zijn geboren, noch op de vrouwen en kinderen, die hunne echtgenooten of ouders vergezellen of dezen naar Indië volgen ').

De Christen-leeraars, de priesters en zendelingen moeten bovendien voorzien zijn van eene bijzondere toelating van den GouverneurGeneraal, om hun dienstwerk in eenig bepaaldelijk gedeelte van Nederlandsch-Indië te verrichten. Deze toelating kan ten allen tijde ingetrokken worden, wanneer het blijkt, dat zij nadeelig is voor de rust of niet wordt nageleefd 2).

Zooals wij boven aanteekenden, is de Gouverneur-Generaal verantwoordelijk voor de rust en veiligheid van Nederlandsch-lndië.

1) Zie Kon. besluit van 15 September 1871 (Ind. Stbl. 1872, n°. 38), 1. g. Ind. Stbl. 1002, n°. 100. Inlanders op Java en Madoera te huis behoorende, en te land reizende, hebben geene passen noodig; personen, die met de Inlanders zijn gelijk gesteld, en zoodanige Inlanders die niet op Java en Madoera te huis behooren, behoeven ze wel.

2) Reg.-Regl. art. 123,

De inlandsche priesters zijn geplaatst onder het toezicht van de vorsten, regenten en hoofden, die zorg moeten dragen dat door hen niets worde ondernomen, in strijd met het algemeen belang, (art. 124 ibid.)

Sluiten