Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

traditie. Een gedachte, die alle lusteloosheid verbanne, zoowel uit de schamele woning als uit den praalhof. Een gedachte van aansluiting, van toenadering, van verzoening.

In eenheid van taal, in politieke eenheid ligt er voor een volk groote kracht verborgen: met dit voorbehoud echter, dat er ook moreele eenheid aanwezig zij; dat allen, aanvoerders en aangevoerden, elkander in één groote, vruchtbare, opbouwende passie ontmoeten.

Is dusdanige eenheid, dusdanige eensgezindheid ons aller begeeren niet waard! En mogen wij stam- en lotgenooten after all, nog langer met elkaar omgaan alsof wij, toevallig door vraag en aanbod saamgebracht, wisselvallige kansen te deelen hadden en niet leden waren van één gezin, niet medegeïnteresseerden in ééne zaak, niet soldaten van één leger, niet geloovigen in één en 't zelfde ideaal?

Er hapert iets aan een gezin, wanneer tusschen hoofd en leden en tusschen de leden onderling geen innige verstandhouding bestaat.

Er kleeft een smet aan een zaak, wier bloei door uitzuiging van menschenkrachten is verkregen.

Er rust een vloek op een leger, dat louter een samenraapsel is van huurlingen, geen bond van elkaar steunende, zelfopofferende patriotten.

Er gaat een boos gerucht uit een kerk zonder religie, uit een geloof zonder liefde, uit een school zonder hoogere aspiratiën.

Wat voor den engeren levenskring geldt, geldt voor den breederen, maatschappelijken evenzeer.

Waar slechts twee vereenigd zijn, is het met een ethisch doel.

Hoeveel te meer, waar millioenen, door de historie saamgeklonken, zich bevinden onder de hoede en roede van één gezag?

Is er sprake van samenleving in den zin van een aaneengesloten, harmonisch ontwikkeld geheel, zoolang niet ieder zich geroepen acht, naar de mate zijner (harer) krachten tot den geestelijken voorspoed der gemeenschap bij te dragen?

Sluiten