Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der bij den doop van haar kind niets te maken had, want de vader is het hoofd des gezins; in zijne belofte is ook die der moeder begrepen ; als de vrouw aan de zijde van haar man bij den doop van haar kind de belofte mede afleggen wil, dan matigt zij zich rechten aan, die haar niet toekomen en maakt zij zich aan hoogmoed schuldig. En ten derde, zelfs ingeval het kind eerst gedoopt wordt, nadat de moeder hersteld is, dan mag de moeder toch niet het kind ten doop houden; zij mag op de vragen niet antwoorden : zij moet in de kerk op haar eigen plaats blijven zitten en den doop van haar kind uit de verte aanzien!

Wanneer wij echter deze nieuwe voorstelling beschouwen in het licht der historie, blijft er zoogoed als niets van over.

Natuurlijk is er geen verschil over het feit, dat in onze oude kerkelijke bepalingen bij den Kinderdoop dikwerf alleen van den vaden• sprake is en van de moeder in het geheel geen melding geschiedt.

Dat is het geval in ons Doopsformulier. Dat zegt de Synode te Dordrecht 1574 in art. 61 : de vaders zijn gehouden en behooren vermaand te worden, bij den doop hunner kinderen tegenwoordig te zijn, opdat zij met de gevaders de voorgestelde vragen beantwoorden, tenzij dan dat zij door gewichtige oorzaken verhinderd worden. En de latere Synoden spreken dikwerf evenzoo. De Synode van Dordrecht 1618/1619 bepaalt in art. 57, dat de dienaars hun best zullen doen, en daartoe zullen arbeiden, dat de vader zijn kind ten doop presenteere.

Over het feit is dus geen verschil. Maar wel is er verschil over de verklaring van dit feit.

Ligt de reden van dit noemen van den vader alleen, zonder van de moeder melding te maken, daarin, dat de Gereformeerden met opzet de moeder van den doop van haar kind hebben willen uitsluiten? Mag zij naar de

Sluiten