Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zinsnede der Dordsche Kerkenorde geeft en die ook nog van elders bevestigd wordt (Reitsma en van Veen III 271, 445), wijkt van de gewone opvatting nogal belangrijk af. Zij stelt duidelijk in het licht, welke gedachten de Gereformeerden bij hun aandringen op de spoedige bediening van den doop hebben bezield.

Zij waren volstrekt niet van meening, dat zulk eene spoedige bediening van den doop op den dag der geboorte, of uiterlijk binnen een paar dagen na de geboorte, moest plaats hebben en niet tot den volgenden Zondag mocht worden uitgesteld, omdat men zich in dat geval aan minachting van het sacrament en aan overtreding van een gebod zou schuldig maken.

En toch waren zij op hunne hoede tegen overdrijving aan de andere zijde. Zij rekenden met de zwakgeloovigen, die nog niet geheel en al van den Roomschen zuurdeesem bevrijd waren. En zij voerden daar, waar ze niet bestonden, gelegenheden in tot het ontvangen van den doop, om aan de twijfelenden tegemoet te komen en hen niet van de Gereformeerde kerk en religie te vervreemden.

De bepaling is eene concessie, die van het ruime hart der Gereformeerde vaderen spreekt.

Nu staat het natuurlijk volkomen vrij, om deze verklaring van Voetius te verwerpen en door eene betere te vervangen. Want Voetius was een knap man en in het Gereformeerde kerkrecht aardig thuis, maar onfeilbaar is hij niet.

Doch dan moet men ook eene andere en betere verklaring dan de zijne aan de hand kunnen doen, en deze is moeilijk te vinden. De bovengenoemde opvatting, die tegenwoordig door sommigen voorgestaan wordt, kan er bezwaarlijk voor in aanmerking komen.

Want als de Gereformeerden werkelijk de overtuiging

Sluiten