Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

digheid der moeder te verhoogen, bij het uitstellen van den doop den doorslag, maar wel de bepaling, dat men de gelegenheden tot doopen verminderen moest.

Langzamerhand werd die bepaling in de gemeenten toegepast. Eerst werd de doopbeurt in de week afgeschaft, vervolgens werd er slechts eens in de twee weken, en daarna slechts eenmaal in de maand gelegenheid tot doopen gegeven.

En daarvan was nu het gevolg, dat de moeder erbij tegenwoordig kon wezen en er allengs ook geregeld bij tegenwoordig was.

Echt Synodaal was de overweging, dat het bijzijn der moeder de plechtigheid van den doop verhoogen en den indruk ervan vergrooten zou.

Maar dat was toch de hoofdzaak niet. Deze lag in de beperking der doopsgelegenheden.

Indien deze goed te keuren ware, dan zou er (afgedacht natuurlijk van die verhooging der plechtigheid, welke voor rekening der Synode blijft) niets tegen maar alles voor te zeggen zijn, dat de moeder mede het kind ten doop bracht. Want zij heeft er evengoed als de vader het recht en den plicht toe. Als zij daaraan niet voldoen kan, heeft dat zijne oorzaak in eene toevallige omstandigheid, evenals de vader soms ook door ziekte of dood zijn recht en plicht niet uitoefenen kan.

In de circulaire der Herv. Synode hangt dus het uitstel van den doop en de wensch, dat de moeder erbij tegenwoordig zij, ten nauwste met het verminderen van het aantal doopbeurten saam.

En evenzoo eischt het gebruik van den spoedigen doop in de vroegere Gereformeerde kerken, dat er gelegenheid zij voor de ouders, om den doop voor hun kind te ontvangen, bij iedere samenkomst der geloovigen, indien er althans een dienaar des Woords aanwezig is.

6*

Sluiten