Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijten van Elisabeth werken iets uit; aan vergoelijkend antwoord ontbreekt het niet, maar het blijft bij het oude: de Staten-Generaal oefenen feitelijk het gezag uit, dat wettelijk aan den Raad van State is toegekend. Het werk der Staten neemt dientengevolge zoo zeer toe, dat zij niet meer, als vroeger, volstaan kannen met nu en dan een tijdlang te vergaderen, maar dat zij, in 1593, zich genoodzaakt zien hun vergadering permament te maken, terwijl de Raad gedurig minder te doen en te beduiden krijgt, en weinige jaren later met recht klagen kan, „ dat de gewichtigste zaken van het land beleid en besloten worden zonder zijn kennis" ').

Het was een keillooze verandering, die op deze wijs de StatenGeneraal tot regeering maakte. De afgevaardigden ter Statenvergadering waren door hun eed verbonden om de belangen hunner provincie te behartigen; zij hadden niet, zooals de leden van den Raad van State, gezworen de belangen der Unie bovenal voor te staan. Zij waren gezanten van zelfstandige gewesten; onder hun bestuur werd de republiek een statenbond, waarin Holland, als de machtigste, meestal den boventoon voerde 2).

De Hollandsche staatslieden, die deze ontaarding van den regeeringsvorm opzettelijk hebben teweeggebracht, misgrepen zich ongetwijfeld aan het gemeenebest, en zijn schuldig aan de tweespalt, die in het vervolg zoo dikwijls het afdoen der dringendste zaken tegenhield. Maar wij moeten billijk zijn , en bedenken waarom zij zoo handelden. De gevaren van het oogenblik hielden hun aandacht te onverdeeld bezig, dan dat zij op de verwijderde gevolgen hunner maatregelen konden letten. Zij deden wat zij voor het tegenwoordige het nuttigst achtten, zich voorbehoudende om later te wijzigen wat de ondervinding als schadelijk mocht doen kennen. Waar het voor het oogenblik het meest op aan kwam was hun provincie van de overheersching van Engeland, zoowel als van de dwingelandij der Spanjaarden, te bevrijden; en daartoe diende de regeering, zooals zij die misvormden, beter dan zooals zij haar oorspronkelijk hadden ingericht. Zoolang de helft der Yereenigde Gewesten nog in 's vijands macht was, en de andere helft gevaar

1) Aitzema, dl. I, blz. 776, 781. Vgl. ook Alex. v. d. Capellen, Gedenkschriften, dl. I, blz. 461. — Als voorbeeld teeken ik aan, dat de onderhandeling met Hartius en Comans over den vrede eerst na den afloop aan den Raad van State werd medegedeeld. Eveneens de h»ndel met Elisabeth over het remboursement.

2) Het bondigst heeft De Groot dit nieuwe staatsrecht samengevat in zijn „Memorie van mijne Intentiën" (Verhooren enz. van H. De Groot door mij uitgegeven in de Werken van het Historisch Genootschap, blz. 7.)

Sluiten