Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stad of particulier". Maar kort na 's Prinsen dood werd de eed zoo gewijzigd, dat de afgevaardigden moesten „adviseeren en helpen besluiten naar zij door hun principalen zouden gelast zijn" *). En daar in de meeste zaken van belang niet bij meerderheid van stemmen, maar met eenparigheid besloten werd, kregen zoo de vroedschappen der stemmende steden het hecht in handen: zonder de medewerking van ieder van baar in het bijzonder bleef de dringendste zaak weken lang onafgedaan. En eer Holland „ gereed was " viel er aan geen behandeling bij de Staten-Generaal te denken. Vandaar een omslag en langwijligheid in de regeering, waarover een ieder, die met haar te doen krijgt, om het hardst klaagt, en die het regeeren onmogelijk zou gemaakt hebben, indien de inschikkelijkheid, die evenzeer door iedereen in onze regenten geroemd wordt, het gebrek van den regeeringsvorm niet eenigermate verholpen had.

Wij gewaagden alleen van de macht der vroedschappen, en zwegen van de ridderschap, die toch ook in de vergadering stem had. Haar invloed was zoo gering, dat wij ze ook allicht zouden vergeten. Ook dit was een gevolg van den opstand. Immers voorheen was de Hollandsche adel het invloedrijkste lid der Staten geweest: hij vertegenwoordigde, behalve zijn eigen stand, het platte land en al de steden, uitgezonderd de zes groote, die zelf ieder een stem uitbrachten. Yan de zeven stemmen had dus de ridderschap er toen reeds maar één, maar die eene had meer te zeggen dan al de overige te zamen; want zij sprak voor meer dan de helft van het graafschap. Willigde de ridderschap 's graven bede in, dan was de grootste helft der gevorderde som verzekerd; de zes steden te zamen beschikten over minder dan zij alleen. Dus gold de adel bij den landsheer en bij de steden zelve het meest; zijn voorbeeld werd gewoonlijk door de steden gevolgd 2). Maar de omwenteling keerde ook deze verhouding om. Vele edelen kwamen op het slagveld of op het schavat om het leven, andere werden als aanhangers van Spanje uit het land gebannen. Daarentegen namen de steden in welvaart en aanzien toe. Bij de zes groote werden nog twaalf kleinere, vroeger door de ridderschap vertegenwoordigd, ter Staten-vergadering toegelaten. Zoo werd de ridderschap één tegen achttien; in plaats van te leiden had zij voortaan te volgen. Als particulieren werden de edelen nog bij voorkeur tot staats- en krijgsbedieningen geroepen; als stand

1) Slingelandt, dl. I, blz. 114.

2) Slingelandt, dl. J, blz. 39.

Sluiten