Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Duitsche hulptroepen afdanken. Ook Philips van Nassau, door de Staten opontboden, keerde terug; zijn volk was tot op negen honderd man verloopen. Het was September eer hij in het land terugkwam.

Reeds lang te voren had Maurits den nieuwen veldlocht begonnen. Veel was er weer te doen geweest, voordat men zich had kunnen verstaan, waar dit jaar de krijg zou gevoerd worden; Holland en Zeeland wenschten Geertruidenberg te belegeren; Gelderland en Overijsel verlangden met de steden van Zutphen en Twente bepaaldelijk met Groenlo,te beginnen; Friesland vorderde, op grond van het vroeger gesloten verdrag, dat allereerst Steenwijk en Koevorden, zouden worden aangetast. Reeds in den vorigen veldtocht, nadat Parma van voor Knodsenburg was opgebroken, hadden de Friesche Staten erop aangedrongen, dat men het gestaakte beleg van Steenwijk hervatten zou; en toen, niettegenstaande hun vertoogen, tot de verovering van Hulst was besloten, hadden zij, gebelgd, hun buitengewone bijdrage ingehouden. Nu beloofden zij, als men aan haar verlangen voldeed, extra-oorlogsgeld, krijgsbehoeften, karren en paarden, en wat niet al. Het gelukte hun ten laatste de meerderheid in hun belang te winnen. Maar nu betoonde zich weer Zeeland ontevreden over dit besluit, nalatig in het opbrengen van zijn aandeel, en deed daardoor het leger veertien dagen later dan Maurits gehoopt had in het veld komen. Gelukkig schaadde dit oponthoud niet.

Verdugo had voorzien, dat het dit jaar zijn provinciën gelden zou; bijtijds had hij den grijzen Mansfeit, die de plaats van den in Frankrijk afwezenden Parma bekleedde, gewaarschuwd, en om de zoo hoog noodige ondersteuning verzocht. Doch Mansfeit achtte het gewaagd de Brabantsche grenzen van troepen te ontblooten; immers de waterweg stelde Maurits in staat om, terwijl men hem in het noorden verwachtte, ten zuiden van de stroomen plotseling eenige vesting te overvallen. Daarom wilde hij geen troepen tot hulp van Verdugo afzenden, eer Maurits werkelijk tegen dezen in het veld zou verschenen zijn. Voor de versterking van Steenwijk was inmiddels gezorgd, sinds de aanslag van het vorige jaar op het gevaar dier vesting dé aandacht gevestigd had. Zij was thans bijna onneembaar gemaakt, ruimschoots van al het noodige voorzien, en bezet met duizend uitgelezen Walen en Bourgondiërs onder een vermaard overste, Antonio Coquel. Aan die middelen van tegenweer beantwoordden de middelen van aanval, waarmee Maurits, tegen het eind van Mei, het beleg opende: zijn machtig

Sluiten