Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vreemdeling zoowel als ingezetene, lager tollen stellen, lichter belasting opleggen, ruimer vrijheid laten dan hij ergens aantrof, men moest hem trekken door begunstiging. En dat geschiedde ook. Guicciardini, een vreemdeling, die geen reden tot vleien had, erkent dat in geen land ter wereld de vreemde koopman zoo vrij is als in Nederland 1). En was dit reeds zoo onder de Graven, onder de Bourgondische en Oostenrijksche vorsten, dan spreekt het van zelf, dat de Staten, die den landsheer voortdurend op dien goeden weg gehouden hadden, nu zijzelf de heeren des lands waren geworden, de handelsvrijheid zorgvuldig ontzagen. Het viel hun soms moeilijk genoeg het volksvooroordeel, dat daartegen indruischte, te weerstaan. Om Oost en West gescheiden te houden was het noodzakelijk, dat Holland den handel tusschen beide bleef bemiddelen, en dus aan Spanje toevoerde wat het van Noordsche waren behoefde. Maar zoo verschaften wij den vijand de middelen, die hij tegen onze vrijheid, tegen ons volksbestaan gebruiken zou. Mocht dat gebeuren ? Mocht men om een vuig gewin den vijand stijven en het vaderland in gevaar brengen ? De kundige handelaar en de scherpziende staatsman begrepen, dat men Spanje toch niet beletten kon zich te verschaffen wat het onmisbaar noodig had; dat Holland geen zeemacht bekostigen kon, toereikend om de breede kusten te blokkeeron en de havens gesloten te houden, waarheen zoo grove winsten den schipper lokten. Holland had maar de keus: of zich van de vaart op Spanje te onthouden en die aan de Oosterlingen en andere vreemde kooplieden over te laten, of zelf Spanje van koren en hout te voorzien en dus van dienst te zijn, maar dan ook zelf de voordeelen te trekken, die anders door vreemdelingen genoten werden 2). Kon men aarzelen wat te kiezen? Maar zoo stelde de menigte zich de zaak niet voor; onbekend met de wetten, die den handel regeeren, lette zij slechts op hetgeen in het oog viel: dat Hollandsche kooplieden in de behoeften van den vijand voorzagen. Dat ergerde haar, en luide deed zij haar afkeuring hooren, soms zoo heftig, dat de regeering haar ter wille moest zijn; kort na de pacificatie van Gent, werd haar ten gevalle de handel op Spanje verboden; en later, in 1585, toen Zuid-Nederland gebrek, bijna hongersnood leèd, werd de uitvoer van levensmiddelen, waarheen

1) „I forestieri ia efletto hanno piu liberta in Anversa e per tutti questi Paesi Bassi che in qnal si voglia parte del mondo." p. 158.

2) Zeer juist heeft Reyd, blz. 352, dit uiteengezet.

Sluiten