Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met hun lichte schepen een voorspoedige reis gnnde. Een ander vertwijfelde gansch en vreesde, dat God de ketters en Lutheranen voorthielp, en de rechtgeloovigen bij hen achter stelde. — Inderdaad, als voorspoed een blijk moest zijn van Gods welbehagen, dan was het kerkgeloof veroordeeld. Het Godsoordeel besliste ten voordeele der ketters.

Zoo hebben wij ons waarlijk niet te verwonderen, dat de Hollanders den wedstrijd gaan wagen, veeleer, dat zij dien zoolang hadden ontweken. Het ontzag, dat het grootsche verleden van Portugal had ingeboezemd, beschermde het nog in zijn toenmalige machteloosheid. Nog zocht men langs anderen weg, dan dien de Portugeezen zich voorbehielden, het Oosten te bereiken, en met andere natiën, dan die hun onderdanig waren, betrekkingen aan te knoopen. Om het Noorden van Azië heen, langs ongebaande wegen, poogde men China en Achter-Indië te bereiken, zonder gevaar te loopen van op de verre zeeën, waar de schrik van zijn naam nog heerschte, den geduchten mededinger te ontmoeten.

De eer van die wijdvermaarde tochten om het Noorden beraamd en doorgezet te hebben komt toe aan Balthasar de Moucheron, het hoofd van een groot handelshuis, dat na den val van Antwerpen te Middelburg gevestigd was: een buitengewoon man, die aan het winstbejag der Nederlandsche kooplieden den avontuurlijken geest paarde van het edele Normandische geslacht, waaruit hij gesproten was 1); die zich in 1598 van het Guineesche eiland Del Principe gewapenderhand meester maakte, die aan geen handelsonderneming vreemd bleef, die op het Oostland zoowel als op het Zuiden handel dreef en te Archangel meer zaken deed dan iemand anders. Hij was de eerste, die aan een tocht naar Indië om het Noorden zijn geld durfde wagen, in de stellige overtuiging, dat er boven Azië evengoed als beneden Afrika een bevaarbare zee naar het Oosten strekte.

Hoe vreemd het klinke, de schrijver, uit wiens berichten geleerden en kooplieden zich toen nog een voorstelling van het noorden van Azië vormden was Plinius die voor vijftien eeuwen geschreven had. Uit zijn onduidelijke bijna onverstaanbare beschrijving maakten de aardrijkskundigen op, dat de kust van

1) Orcr Moucheron, en over de tochten om het Noorden verdient Le Petit, Grande chronique de Holl. et Zél. II, p. 652 suiv., te worden nagezien. De schrijver, destijds notaris te Middelburg, schijnt met den neef van Moucheron, Fran^ois de la Dale, die de reis had meegemaakt, bekend te zijn geweest, en van hem de bijzonderheden, die hij meedeelt, vernomen te hebben.

13

Sluiten