Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trekken der winsten, die uit de ontdekking zouden voortvloeien, wezen zij van de hand; zij beloofden hem gaarne een ruime belooning, als de tocht gelukte, maar gunden hem geen vast aandeel in de onmetelijke winsten, die zij ervan verwachtten !).

Den 15den Juni 1594 zeilden de twee lichte vaartuigen, die voor de noordsche reis behoorlijk waren uitgerust, onder bekwame schippers en met Linschoten als commies van Holland aan boord, van Texel uit. De stad Amsterdam voegde er voor haar rekening nog twee schepen bij, die in de IJszee een eenigszins anderen koers dan de Staten-schepen, niet langs de bevroren kust, maar noordelijker, dichter om de pool, moesten houden. Zij besloot daartoe op aanraden van haar predikant Plancius, een man van helaas al te licht geraakte rechtzinnigheid — de kerktwisten, waarin hij betrokken is geweest, kunnen het getuigen — maar tevens van groot gezag in zaken van aardrijks- en zeevaartkunde, en van invloed op de regeering der stad. Hij schijnt het eerst vermoed te hebben, wat nog door velen wordt beweerd, dat de IJszee slechts aan de kusten met schotsen bezet, maar dichter bij de pool open en bevaarbaar moest wezen 2). Dat zouden thans de Amsterdamsche schepen onderzoeken. Er werd in het algemeen met deze eerste reis niets meer beoogd, dan uit te maken of een ontdekkingstocht kans van slagen had; de ontdekking zelf zou dan in een volgend jaar door een talrijker en beter uitgeruste vloot beproefd worden.

In gespannen verwachting zeilden de schepen af; met de meest gewenschte tijding keerden zij, binnen vier maanden, terug. Wel waren de Amsterdammers teleurgesteld, zij hadden de open zee, die zij verwacht hadden, niet gevonden; maar de Staten-schepen waren, Waygatz door, in een ruime zee, die zij de Tartaarsche noemden, gekomen: een zee van kleur en watergehalte als de Spaansche, open en kalm, en die, naar het scheen, zich zuidoostelijk uitstrekte, „ naar de uiterste en rijkste palen van Azië en de verre eilanden van den Oceaan" zooals Linschoten in geestdrift voorspelde.

In die blijde hope werd alles tot een tweeden tocht, op grooter schaal, gereed gemaakt: zeven schepen met dubbele bemanning, met leeftocht voor achttien maanden aan boord, gingen hem

1) Vgl. Mr. J. A. van der Chijs, „Gesch. der stichting v. d. Vereenigde O. I. Compagnie." Leyden 1856.

2) Zie den belangrijken brief van Jeannin aan Henri IV, van 25 Jan. 1609, in zijn Négociations (édit. Bnchon), p. 578.

Sluiten