Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zulke toespraak behoefden dezen maar al te zeer; alles scheen er op aangelegd om haar af te trekken van het geloof der vaderen 1). Om dat geloof werden de katholieken van alle openbare bediening uitgesloten. De oude geslachten, die sedert onheugelijke tijden in de regeering der steden gezeten hadden, waren sedert de omwenteling daaruit gezet, en mochten toezien, „hoe in hun plaats geuzen en ketters zich indrongen, van welke velen te voren niet waardig waren geweest hun dienstboden te zijn, schoenlappers en oudkleerkoopers en andere geringe gezellen, die zich nu op hun kosten verrijkten, en daarin schandelijk triumpheerden." Zoo liet zich soms de lang verbeten woede uit. Even diep als de protestanten gingen de roomschen onder de zware belasting gebukt, maar hoeveel zwaarder moest hun die vallen, als zij bedachten dat hun geld dienen moest om de tegenpartij te stijven, en den wettigen landsheer, van wien alleen zij redding verwachten konden , te bestrijden. En dan nog, wat beteekende die tijdelijke druk bij het gevaar, dat de ziel van den geloovige bedreigde? Niet zonder mededoogen kunnen wij nu nog, na derde halve eeuw, de klachten hooren, door de katholieken in hun verdrukking geslaakt. „Merkt wat een groote pijne en marteling het voor onze arme zielen is, dat benemen van al de middelen onzer zaligheid, het derven der waarachtige leering van het katholieke geloof, de uitreiking der H. Sacramenten. Wij weten, dat wij een onsterfelijke ziel hebben, en dat, die verloren, al verloren is: wij weten dat die niet zalig kan worden zonder het waarachtige geloof en het gebruik der H. Sacramenten. Wat hartzeer en marteling denkt gij dan wel dat wij dag en nacht lijden, die zoo gaarne onze en onzer kinderen zielen zouden zalig maken, en dien de middelen ontbreken!" Dat griefde het ouderhart het meest, dat zij hun kinderen in onwetendheid en ongodsdienstigheid zagen opgroeien. „Het gebod des Heeren belast ons zorg te dragen voor goede onderwijzing onzer kinderen, en de natuurlijke liefde dringt ons daartoe; wat pijn en marteling meent gij dan wel dat wij lijden, als wij zien dat wij het niet kunnen, dat onze kinderen verwilderen, opwassen als wilde wouters zonder eenige goede leering en oefening, zoodat zij van God niet weten en nooit den katholieken kerkdienst gezien hebben. Willem wij ze ter school laten

1) Zeer belangrijk in dit oplicht lijn de „Annales Francisci Dusseldorpii, 1566—1616", waarvan ik in 1893 een breed uittreksel heb uitgegeven in de Werken van het Historisch Genootschap. Zij bevestigen in hoofdzaak hetgeen ik hier ontvouw.

Sluiten