Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der afvalligen: ziedaar de hoofdtrekken, die elk ontwerp van kerkordening , van iedere Hollandsche of nationale synode, kenmerken. Het komt mij voor, dat er in liet vorderen van zoo groote zelfstandigheid voor de Kerk niets onredelijks of aanmatigends gelegen was. Een Kerk, die zichzelf niet regeert maar aan den leiband der wereldlijke overheid loopen moet, kan zich niet ontwikkelen, kan niet leven en werken gelijk het haar betaamt. Maar de regeering, van haar zijde, zag, hoeverre de invloed der geestelijken op de gemeente haar eigen macht te boven ging. Als zij de Kerk zelfstandig maakte, vreesde zij met reden, dat de Kerk spoedig over den Staat zou gaan heerschen; dat de overheid weldra genoopt zou worden met haar sterken arm de besluiten der synode uit te voeren. En welke macht geeft zich dus vrijwillig aan een andere over? Buitendien, welk gebruik zou de Kerk van haar overmacht maken? Dat was waarlijk niet twijfelachtig; men behoefde haar niet, naar het voorbeeld van eenige uitheemsche geestelijkheid, plannen toe te dichten; zij verborg haar oogmerken geenszins. Zij wilde vrij censureeren en afsnijden al wie zij onrechtzinnig keurde; en, daar alleen haar lidmaten tot staatsbedieningen bevoegd waren, zou het dus aan haar staan, te beslissen of iemand al dan niet een ambt verwerven, of hij het verkregen ambt al dan niet behouden zou. Zij wilde gevaarlijke boeken weren, het drukken en uitgeven ervan verbieden; de regeering zou haar daartoe de hand moeten leenen. En ware het daarbij nog maar gebleven. Maar de kerk rekende zich gerechtigd, „alle ketters, tegen de ware leer van Christus strijdende", te dagvaarden voor haar synode, en na gehouden onderzoek te vonnissen 1); zij achtte dan de regeering verplicht, de godsdienstoefening der veroordeelden te verbieden en te verhinderen. Tegen zulk een gevaarlijke aanmatiging kwam de libertijnsche regeering natuurlijk op: niet om dus onder de heerschappij van predikanten te raken had Nederland het juk van Rome afgeschud. In 1582 diende Jan van Hout, de beroemde secretaris van Leiden gedurende het beleg, uit naam zijner regeering een remonstrantie bij de Staten van Holland in tegen de

1) Zie vraag 62 en 42, door de nationale synode van Middelburg ui 1581 gesteld en beantwoord, bij Bor, II, blz. 567. - Vgl. de „Vriendelijke vermaning van de H. H. St. van Brab, Vlaand. enz. (Bor, authent. st. I, blz. 150): om eenigheri van geloof m Nederland te weeg te brengen zou maar noodig zijn, „dat in de vergadennge der Gemeener Staten beide de partijen gehoord souden worden: alwaer welke hare metten woorde Godts beweeren en bekrachtigen soude, de selve men behooren soude gelijk te geven, te vorderen en aenhangig te wesen."

Sluiten