Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die zoo uiteenloopende karakters, wij kunnen ze beide waardeeren en achten. Als wij de levensgeschiedenis van Coornhert en die van Marnix nagaan, hun daden vergelijken met hun woorden , dan krijgen wij hen beiden lief. Beiden hebben geijverd voor hetgeen zij goed en waar keurden, elk op zijn wijze. Maar hoe onbillijk zijn zij beiden door hun tijdgenooten beoordeeld: de vrienden van den een verfoeien en verguizen den ander. Trigland, de partijgenoot van Marnix, ziet in den godsdienstigen, protestantschen Coornhert „een van de grootste vijanden, die de gereformeerde leer en kerk ooit gehad hebben; die de Christelijke religie op het hoogste gehaat en op het gemeenste gelasterd heeft" !). En de vrienden van Coornhert spreken niet veel gunstiger over Marnix, dien zij uit partijdigheid bijna van landverraad betichten 2). Het is het voorrecht van den lateren geschiedschrijver, dat hij de bedoelingen der groote mannen van beide partijen, zonder vrees voor de strekking hunner daden, onpartijdig beoordeelen, en, als zij het verdienen, den een zoowel als den anderen bewonderen kan. De tijdgenoot, betrokken in den strijd der meeningen, weet de goede bedoeling in de tegenpartij maar zelden op te merken, hij let te veel op de in zijn oog verderfelijke gevolgen, die haar daden na zich sleepen, en hij bestrijdt haar daarom met de scherpste wapenen die hij vindt. In zooverre hebben vermaarde mannen slechts van de nakomelingen een billijk oordeel te wachten. Buiten de partijen te staan is alleen aan onverschilligen gegeven, of aan mannen van buitengewoon doorzicht. Een Willem van Oranje kan Coornhert en Marnix beiden recht doen, en beider krachten aanwenden tot een hooger doel, dan zich een van beiden gesteld had.

Coornhert was, bij den aanvang van ons tijdvak, een oud man van zesenzestig jaren, maar nog steeds rusteloos — ik zou haast zeggen onrustig — werkzaam. De laatste jaren had hij buiten alle staatsbediening te Haarlem als notaris doorgebracht, maar voor zijn beroepswerk had hij nooit hart gehad. Zijn lust was redetwisten over godgeleerdheid, mondeling, schriftelijk, op alle wijzen. De drie lijvige folio-deelen, waarin zijn werken verzameld zijn, behelzen voor verreweg het grootste gedeelte niets dan zulk twistgeschrijf. Nog in het laatste jaar zijns levens verklaarde hij zich bereid om zijn disputatie over de dwalingen van

1) Kerck. Gesch. blz. 197.

2) Men leze b.v. het „Antidote," waarover straks nader.

Sluiten