Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer te doen. Een verbond van Frankrijk met de Nederlanden was niet machtig, niet aanzienlijk genoeg in de oogen van koningen en vorsten, om hen tot deelneming uit te lokken. Eerst als men Engeland in het verbond trekken, en tot het verleenen van een, aan zijn middelen geëvenredigde, hulp verplichten kon, kreeg de alliantie niet slechts een innerlijke kracht, waartegen de vijand moeilijk bestand zou wezen, maar tevens aanzien bij Europa, zoodat men hopen mocht meer andere bondgenooten in Duitschland en in het Noorden te winnen. De Hollandsche gezant aan het Fransche hof, Calvart, hield niet op den Koning tot het vormen van zulk eeu verbond aan te sporen '). Hendrik echter was huiverig om hierover met Elisabeth, die elk voorstel van dien aard als een bede om hulp met hoogheid zou opnemen, onderhandelingen aan te knoopen. Evenmin was Jacobus van Schotland te bewegen om den eersten stap te doen; ook hij werd teruggehouden door schroom voor de trotschheid en achterdocht der Engelsche vorstin '). Ten laatste stelde Koning Hendrik aan de Staten voor, dan maar zonder Engeland een verbond te sluiten, en vervolgens tot deelneming daaraan alle protestantsche mogendheden, en dus ook Elisabeth, uit te noodigen. Doch de Staten wezen dit voorstel eerbiedig af; zij kenden den lichtgeraakten hoogmoed van Elisabeth te wel, dan dat zij haar in een zoo gewichtige aangelegenheid voorbij durfden gaan; zij wisten, dat hun zulk een majesteitsschennis nooit zou vergeven worden, en dat Engeland, om deze reden alleen, nooit tot het bondgenootschap zou toetreden 3). Dus liet het zich aanzien, dat een plan, dat voor het protestantisme zoo-

1) Zoo verzekert Calvart zelf, Gedenkst. v. Oldenb. II, bli. 112.

2) Brief van Damman aan de Staten, 17 Juni 1595: „Quant a ce que vos Seigneuries exhortent S. M. a fortifler 1'estat de Ia vraie religion Chrestienne par quelque ferme et bien conditionnée correspondance avec le roy de France, la royne d'Angleterre, le roy de Danemarck, et. . . ., a quoi vos Seigneuries s'offrent trés volontiers de Iesir (prendreï) part, il y trouve bon gout et en est fort desireux, mais il ne scait encore commander & son coeur d'en parler a la royne d'Angleterre; mémement il est persuadé que c'est elte qui luy faict ces traverses, afin qu'il vienne a elle, et il y veut bien difficilement entendre." (Rijks-Archief.)

3) Zie de propositie van Buzanval van 18 Dec. 1595, bij Bor, IV, blz. 148. — Vgl. den brief van Bongars, 26 Maart 1598: „Interim deprecari Ordines ne primum ad se Dominus de Sancy veniret. Ipsorum perspectum esse Regiae Majestati animura, cui defuturi nunquam sint. Sed abripi aemulatione Angliae reginam, quae, si legationem ab ipsis Dominus de Sancy inciperet, honori ipsius et amicitiae datum interpretaretur, non captatam conventus ipsorum, qui tum habeatur, occasionem." p. 54. — Willem Lodewijk schrijft hetzelfde aan zijn vader: „hir zu landt alltzeit daruf gesehen ist, das diese zwey

* potentaten (Frankr. en Engel.) müsten vorgehn." Archives II« série, I, p. 369.

Sluiten