Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"belang: de uitvoer naar 's vijands land werd, niettegenstaande den hevigen tegenstand van Amsterdam gesloten '). Als vergelding voor onze inschikkelijkheid in dezen stond toen de Fransche regeering ons het voordeelige handelsverdrag toe, waarvan wij reeds vroeger spraken. Dat was een blij vend gewin; de schade van het onverstandige verbod daarentegen was slechts voorbijgaand. De kwade gevolgen, door Amsterdam voorzegd, bleven echter geenszins uit. De korenhandeï op Spanje hield niet op, zooals de Fransche regeering gehoopt had, maar dreigde in vreemde handen te geraken. Om dit te verhoeden lieten de Staten alras, nu eens het verbond gesloten en hun doel bereikt was, hun verbodswet oogluikend overtreden. Het volgende jaar zeilden de Hollandsche schepen weer Zuidwaarts als vanouds en haalden het verzuimde spoedig in. Elisabeth begint haar oude klachten op nienw aan te heffen 2), en de Staten gaan de oude verontschuldiging met nieuwen ijver herhalen.

Inmiddels liet Hendrik IV, overeenkomstig het verdrag, de vorsten van Duitschland aanzoeken om zich bij het bondgenootschap te voegen. Zijn gezant, Ancel, reisde in 1597 van den een naar den ander, geheel het Roomsche rijk door. Maar het ging hem als den man in de gelijkenis, die de vrienden ter bruiloft noodt. De een om deze, de ander om gene reden, verschoont zich, niemand durft de eerste zijn, een ieder verwijst naar den ander. Het vuigste eigenbelang, de schandelijkste traagheid schijnt door de nietigste voorwendselen heen *). Het was een verachtelijk vorstengeslacht, dat thans over Duitschland regeerde; hun wakkere voorgangers waren allen kort tevoren gestorven; het jaar 1592 was in dit opzicht noodlottig geweest. Jan Casimir van de Paltz, Christiaan, keurvorst van Saksen, Willem landgraaf van Hessen, de drie vorsten, door wier toedoen het machtige leger op de been

1) Ik heb tevergeefs getracht omtrent de beraadslaging over het sluiten van de vaart op Spanje eenige bijzonderheden op te sporen. Ook op het Rijks-Archief was mijn oaderzoek vergeefsch. Al wat ik erover gevonden heb, zijn de volgende berichten van Bongars: 5 Oct. 1596: „Bullionius adhuc in Hollandia, et de navigationis inhibitione nihil adhuc certi constitutum, etsi eo inclinant Ordines, sed valide mercatores contra tendunt." 2*2 Oct. 1596: „Agit in Hollandia Bullionius ut navigatio in Hispaniam omnis inhibeatur, neve in hostilem terram importare quidquam cuiquara liceat. Hoe vero constituere cum penes Ordinum senatum non sit, sententiae civitatum exquirendae. Id Bullionium in Hollandia moratur et cum eo Aurelium (leg. Ancelium)." — Zie verder Resol. St. v. Holl., 1596, blz. 436, 459, 598.

2) Zie den brief van Caron van 23 Sept. 1597, in Gedenkst. v. Oldenb. II, blz. 156.

3) Zie den geheelen treurigen omgang beschreven bij Thuanus, 1. CXVUI, c. 1., 2, 3. Een slordig en onjuist uittreksel uit Thuanus geeft Bor, IV, blz. 289.

Sluiten