Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schen Koning van Frankrijk vertrouwende, radeloos zou geworden zijn, als ook zij de Republiek had verlaten 1).

Er kwam nog een andere reden bij: Elizabetb had voor haar voorschotten de sleutels van Holland en Zeeland, Den Briel en Ylissingen, te pand. Voor zulke onderpanden kon zij, zoodra zij wilde, van Spanje haar geld terug krijgen en nog veel meer daarenboven. Dat zij niet eerloos handelen, ons niet verraden zou, was zeker. Maar even zeker was het, dat zij onze pandsteden zonder betaling niet terug zou geven. Wat moest er dan gebeuren , als zij of haar opvolger vrede sloot ? De steden, door haar bezet, zouden geen deel meer aan den oorlog kunnen nemen, en onzijdig worden. Doch dan stroomden de winstzoekende kooplieden daarheen, om met die onzijdigheid hun voordeel te doen. De handel van Holland zou gaan kwijnen, de goede verstandhouding met de Engelsche regeering gevaar loopen. Misschien zou deze, ten einde zooveel moeilijkheden te ontgaan, er ten slotte toe komen om de pandsteden aan den vijand in te ruimen. Het was van het hoogste belang de gevaren, die men zoo duidelijk voorzag, te voorkomen, nu het nog tijd was. De Staten besloten zich de zwaarste opofferingen te getroosten om de Koningin tevreden te stellen en de teruggave der pandsteden te verwerven, of althans voor te bereiden. Een statig gezantschap, met Duvenvoorde aan het hoofd, maar met Oldenbarnevelt nevens dezen, werd afgevaardigd om de netelige onderhandeling te voeren.

Die onderhandeling, die ons uit het verbaal der gezanten zelf in de bijzonderheden bekend is, levert een merkwaardige proeve op van de fijne staatkunst, zoowel van de Nederlandsche als van de Engelsche ministers. Het was een loven en bieden zonder einde. Maar de Engelsche inhaligheid won het op den duur van de vasthoudendheid der Hollanders. Stuk voor stuk werd elk offer, dat de geheime instructie den gezanten vergunde in den uitersten nood te brengen, uit hun onwillige handen gewrongen. De rekening der voorschotten, door de Engelschen ter tafel gebracht, was buitensporig. Om verbitterd krakeel te voorkomen, wilde de Staten niet iederen post afzonderlijk onderzoeken, maar ineens een ronde som bieden, waarmee alles voldaan zou zijn. Over het bepalen van die som ontstond een eindeloos getwist; de Engelschen vorderden veertien millioen ponden Ylaamsch, de gezanten boden ongeveer de helft. Ten laatste — om kort te gaan werd

1) Buzanval, p. 315.

Sluiten