Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Oost-Indische Compagnie) kunnen een min of meer nauwkeurig beeld geven van den handel in verschillende jaren.

Die ontvangsten bedroegen:

in 1660 f 3.427.190 (een zeer gunstig jaar). „ 1668 , 3.295.539 .

, 1687 „ 3.848.383 „ ,

„ 1771 „ 4 500.000 (de O.I. inkomende rechten meegerekend) „ 1781—1785 gemiddeld 2.195.588').

Ook het aantal schepen, dat ons land bezocht, was niet verminderd, zelfs niet na den 4en Engelschen oorlog. In 1778, 1779 en 1780 liepen respectievelijk 3966, 4031 en 4253 schepen in Texel, het Vlie en de Maas binnen; in 1792. 1793 en 1794 bedroegen die cijfers 4740, 4456 en 4290 :).

In plaats van handelshuizen te vestigen in den vreemde, begon men in de 18e eeuw zijn orders te geven aan commissionairs, die zich in de verschillende handelsplaatsen gevestigd hadden, terwijl ook in ons land tal van dergelijke personen de orders uitvoerden van vreemde kooplieden „Onze handel voor eigen rekening is voor het grootste gedeelte in commissiehandel veranderd", getuigde Me teler kamp ®) in het begin dezer eeuw.

Verder was van groote beteekenis geworden de effectenhandel. Ons volk had, volgens K e u c h e n i u s 4), in buitenlandsche fondsen herhaaldelijk een kapitaal van meer dan duizend millioen.

Van groot belang was verder de wisselhandel, vooral door de oprichting van de wisselbank van Amsterdam.

„De handel in verscheidene artikelen, b. v. in Spaansche wollen en in het bjjzonder alle handel met de Oost-Indische Compagnie geschiedde in bankgeld, maar het hoofdzakelijk gebruik van het bankgeld had in den wisselhandel plaats" 4). Amsterdam was het middelpunt van dien handel voor gansch Europa, daar de stad in vele opzichten het middelpunt was van den handel in het algemeen. „Alle wisselbrieven uit de

') Pringsheirn, Beitrage, pag 12.

s) R. Metelerkamp, Toestand van Nederland, pag. 122 en 123. ') R. Metelerkamp, pag. 106.

4) Keuclienius, Nationale Balans, pag. 11.

*) Mees, Geschiedenis van het Bankwezen, pag. 112.

Sluiten