Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Yan beteekenis is die instelling in de eerste jaren niet geweest: in den beginne was ze niet veel meer dan de kassier van het gouvernement. „De handel versmaadde haar hulp voor zijn beleeningen en eseompto's, ja, langen tjjd daarna gold nog ter beurze van Amsterdam de meening, dat de hulp der Bank niet anders was dan een laatste redmiddel in den nood, alleen bestemd voor hen, die op 't punt stonden te springen en nergens elders meer terecht konden" ').

De bankbiljetten werden zelfs door de ontwikkelde kooplieden met huivering ontvangen, hoewel men ze de schatkist in betaling mocht geven; in het gewone leven bedong men betaling in contanten.

Het gemis aan vertrouwen en belangstelling bleek bjj haar oprichting: het primitief kapitaal bedroeg vijf millioen gulden; de souvereine vorst nam voor rekening van den lande deel voor 500 actiën van 1000 gulden, onder voorbehoud dit getal te verdubbelen. Een jaar na de oprichting was er nog maar voor f 2,400 000 geteekend, waarvan een millioen door den Staat. Eerst bij sluiting van het tweede boekjaar (31 Maart 1816) was het kapitaal volteekend. Zoo kwijnde de bank de eerste jaren van haar leven door.

In 1819 werd besloten het kapitaal op tien millioen te brengen, welk bedrag onmiddelljjk geplaatst werd, daar de dividenden, ondanks de onbeduidendheid der operatiën, vrij hoog geweest waren. Bij koninklijk besluit van den 19en December 1819 werd daarop de oude Amsterdamsche Wisselbank, die men nog door allerlei hulpmiddelen in het leven had trachten te houden, opgeheven.

Als het tweede tijdperk der Bank zou men kunnen beschouwen de jaren van 1820 tot 1840, in welk laatste jaar het kapitaal gebracht werd op 15 millioen. De volstrekte geheimhouding, aan de directie door het octrooi opgelegd, heeft belet, dat van haar verrichtingen veel ter kennis van het algemeen gekomen is. Dit weten we, dat na 1830 het gebruik van haar betaalmiddel in de noordelijke gewesten snel toenam.

Bij K. B. van 21 Aug. 1838 werd het bestaan der Bank

') S. Vissering, Geschiedenis der Ned. Bank, Gids 1863, 2e deel.

Sluiten