Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Caïphas. Wij moeten echter Pilatus te voren verwittigen opdat het vonnis vóór de feestdagen voltrokken zij. (ia gij Dariabbas en Rabinth vooruit om hem te waarschuwen. (Deze twee vertrekken). Wij zullen volgen. Deze dag zal den Godsdienst onzer vaderen redden en de eer der Synagoge verhoogen, zoodat onze naam door het verste nageslacht nog met eere zal worden genoemd Voert hem weg. Wij volgen.

Allen. Dood aan den Gallieër. (Allen verlaten de zaal.)

Intusschen zijn de twee afgezondenen van den Raad voor het

paleis van Pilatus gekoineu.

Een hunner. Hoe zullen wij onze boodschap aan Pilatus overbrengen. Wij kunnen vandaag het huis van een heiden niet binnen gaan, dan zouden wij onrein worden en het paaschlam niet mogen eten. Wij zullen op de deur kloppen en zien wie ons opent. [Z.ij gaan den trap op en kloppen. Quintus een dienaar van Pilatus doet open)

De dienaar. Welkom Rabbi, komt binnen.

Rabbi. Volgens onze wet, mogen wij dat van daag niet doen. Maar brengt gij onze boodschap over. De Hoogepriester zendt ons met het verzoek aan den doorluchtigen onderkoning van den Cesar, om hem te verzoeken of hij den Hoogen Raad wil ontvangen, die een misdadiger brengt, waarover de Raad een vonnis heeft uitgesproken.

Quintus. Ik ga uw boodschap overbrengen. (Hij gaat binnen.)

Een der afgevaardigde. Het is toch treurig, dat wij bij een heiden moeten aankloppen, om de uitspraken van den Hoogen Raad van kracht te doen zijn.

De tweede. Zijt getroost. Als eenmaal de inwendige vijand uit den weg geruimd zal zijn, wie weet of wij dan ook niet spoedig de Romeinen verjagen zullen.

Sluiten