Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eeden, als voor de leden der Tweede Kamer zijn bepaald, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid.

Art. 81. De voorzitter der Eerste Kamer wordt door den Koning benoemd, voor den tijd van het openen tot het sluiten der zitting, uit eene opgave van drie leden, hem door de Kamer aangeboden.

VIERDE AFDEELING.

Beschikkingen aan beide Kamen gemeen.

Art. 82. Niemand kan te gelijk lid der beide Kamers zijn.

Art. 83 De hoofden der departementen van algemeen bestuur hebben zitting in de beide Kamers. Zij hebben eene raadgevende stem.

Zij geven aan de beide Kamers, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, de verlangde inlichtingen, waarvan het verleenen niet, ingevolge van art. 51 en 52. strijdig kan worden geoordeeld

met het belang en de zekerheid van het rijk.

i

Art. 84. De leden der Staten Generaal kunnen niet te gelijk zijn hoofden der departementen van algemeen bestuur, noch leden van de rekenkamer, noch van het collegie van raden en generaalmeesters van de munt.

Art. 85. Leden van provinciale Staten, in eene der Kamers van de Staten Generaal zitting nemende, houden op tot de provinciale Staten te behooren.

Art 86. In ieder Kamer mogen de leden elkander niet nader, dan in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap, bestaan.

Worden vader en zoon of broeders gelijktijdig benoemd, zoo gaat, tenzij vrijwillige overeenkomst beslisse, de vader den zoon, en de oudere broeder den jongere voor.

Art. 87. De leden der Kamers zijn uit hoofde van de adviezen.

Sluiten