Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 121. De leden der Staten stemmen, elk volgens eed en geweten, zonder last van of ruggespraak met hen, die benoemen

Art. 122. Omtrent het raadplegen en stemmen gelden de regels, in artt. 95-97 ten aanzien van de Kamers der StatenGeneraal voorgeschreven.

TWEEDE AFDEEL1NG.

Van de magt der Staten-provinciaal.

Art. 123. De Staten dragen de kosten van hun bestuur, zooveel het rijks-bestuur is, voor aan den Koning, die ze, ingeval van goedkeuring, op de begrooting der staatsbehoeften brengt.

De begrooting der enkel provinciale of huishoudelijke uitgaven, door de Staten opgemaakt, behoeft 's Konings goedkeuring.

Provinciale belastingen tot dekking dezer uitgaven, door de Staten aan den Koning voorgedragen, vereischen bekrachtiging door de wet.

Art. 124. De Staten worden belast met de uitvoering der wetten en koninklijke bevelen, betrekkelijk tot die takken van algemeen binnenlandsch bestuur, welke de wet zal aanwijzen, en zoodanige andere bovendien, welke de Koning goedvindt hun op te dragen.

Art. 125. Aan de Staten wordt de regeling en het bestuur van het provinciaal huishouden door de wet overgelaten.

Behoudens de voorschriften in art 123, moeten alle zoodanige reglementen en verordeningen, als zij voor het algemeen provinciaal belang noodig oordeelen te maken, aan de goedkeuring van den Koning worden onderworpen.

Art. 126. Zij trachten alle geschillen tusschen plaatselijke besturen in der minne bij te leggen. Indien zij daarin niet kunnen slagen, dragen zij het geval, zoo het een geschil van bestuur is, ter beslissing voor aan den Koning.

Sluiten