Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een jaar later vernietigde paus Johannes IX weer de besluiten van zijn voorganger, herstelde allen in hun ambt, die door Formosus gewijd waren, en deed de schenders van diens graf in den ban.

Maar in 908 vernietigde paus Sergius III de beslissing van Johannes en bekrachtigde die van Stephanus, die later echter nogmaals werd vernietigd.

In de 16e eeuw heeft paus Leo X een bul uitgevaardigd, waarin hij alle pauselijke bullen voor onfeilbaar verklaarde. Eenigen tijd later schreef een geleerd jezuïet, Bellarminus, die het al te dwaze van die bewering zal hebben ingezien, dat er onderscheid diende gemaakt tusschen uitspraken wel en niet ex cathcdra; maar zijn boek werd door paus Sixtus V veroordeeld.

Deze Sixtus V heeft zelf een latijnsche uitgave van het Nieuwe Testament nagezien, en tot waarborging der juistheid daarvan in de betreffende bul ,,Aeternus ille" zich beroepen op zijn onfeilbaarheid.

Later bleek die onfeilbare tekst echter vol fouten, en de onfeilbare bul werd weer ingetrokken.

Of de tegenwoordige pausen ook gelijk hebben, zelf niet te licntvaardig aan hun onfeilbaarheid te gelooven, en telkens de kwestie maar liever in 't midden te laten tot latere tijden? Maar in de middeleeuwen ging het aan het hof der plaatsvervangers van Onzen Lieven Heer zeer dikwijls heel wat minder netjes en verstandig toe dan tegenwoordig. Er waren toen vaak aanhoudende kuiperijen gaande tusschen den paus, machtige kardinalen, bisschoppen en wereldlijke machthebbers, die ook wel eens door moord bezegeld en beslist werden.

Nu zullen mogelijk niet alle boven aangehaalde pauselijke uitspraken ex cathcdra zijn gedaan; de hiervan gegeven definitie blijkt zoo onzeker te zijn, dat de geleerde heeren daarover ook in deze gevallen nog wel spitsvondig met elkaar zullen kunnen redeneeren. Maar die venijnige strijd over zulke belangrijke kwesties tusschen de elkander opvolgende pausen doet toch wel eens een flauwe twijfel rijzen, of God toch inderdaad zich op aarde wel door hen liet vertegenwoordigen bij zijn schepselen.

Die heele onfeilbaarheidsvertooning heeft er trouwens wel iets van, of ze meer is uitgevonden, om de groote feilbaarheid der pausen wat te vergoelijken, dan wel om hun onfeilbaarheid te doen uitkomen. Men moest toch wel gevoelen, dat een plaatsbekleeder van God, als leeraar in zake geloof en zeden, altijd onfeilbaar behoorde te zijn. En omdat dit nu zoo vreeselijk veel te wenschen heeft overgelaten, stelde men vast, dat zulks alleen maar noodig is in eenige naar het schijnt moeilijk juist te definieeren gevallen.

Sluiten