Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grooter kwaad. Heeft zij uiterlijk vroom geleefd, dan zegt men, dat de heksen zich gaarne vroom voordoen, en in elk geval gaat de verdachte naar de gevangenis. Toont zij vrees (en wie zou niet sidderen!), dan is zulks een bewijs van haar slecht geweten; en vreest zij niet, dan is zulks ook een bewijs tegen haar, want de duivel maakt de heksen moedig. Om echter voldoende aanwijzingen te krijgen, zendt de inquisiteur goddelooze, slechtbefaamde menschen, die het leven der ongelukkige moeten navorschen, en met behulp van der vrouw slecht gezinde personen wordt wel iets gevonden, waarop zij als zwaar verdachte kan worden aangezien, en dan gaat zij naar de folterkamer. Wie de ongelukkige nog zou willen voorspreken en redden, loopt zelf gevaar haar lot te deelen, en zoo verstomt elke mond en verdroogt elke pen. Voor dat het arme schepsel zal gefolterd worden, onderzoekt de beul of zij nergens iets verborgen heeft op het naakte lichaam, en haar wordt letterlijk overal het haar van het lichaam gesneden of geschroeid. En — voegt pater Spee hier bij — de inquisiteurs der bisschoppen en prelaten zijn daarbij de beste meesters". Pater Spee beschrijft aan de foltering; hoe daardoor namen worden afgeperst van beweerde medeschuldigen, natuurlijk zonder dat hiervoor de minste grond bestaat; hoe na bekentenis der rampzalige heks door de inquisiteurs dan gewoonlijk nog wordt verklaard, dat de bekentenis buiten foltering geschiedde. De beul sleept dan het galgenaas naar den brandstapel, of soms terug naar den kerker, als het nog niet bekend heeft, wat wel zelden zal voorkomen.

Pater Spee zegt, dat velen door de foltering gedood of voor hun leven verminkt zijn. Als de biechtvaders zachtmoedig waren — zegt hij — naar het voorbeeld van hun Heer en Meester Jezus Christus, en als zij hun hartstochtelijkheid afleggen wilden, dan zouden zij spoedig tot de erkentenis komen, dat in Duitschland veel onschuldig bloed wordt vergoten.

Pater Spee was Jezuïet; maar zooals later blijken zal, heeft de Orde daarvan volstrekt de eer niet; integendeel, hij schreef aldus ondanks zijn lidmaatschap der Orde.

Hij zal trouwens zelf toch ook nog wel aan heksen geloofd hebben.

Een ander voornaam Jezuïet, Pater Delrio, schreef een vermaard en veelgelezen werk, waarin o. a. het volgende over toovenaars en heksen voorkomt: „Men mag een beklaagde niet beliegen, maar wel met dubbelzinnigheden trachten te vangen". Als voorbeeld haalt hij aan: „Een rechter beloofde een heks haar een nieuw huis te zullen bouwen, als zij haar schuld wilde bekennen; onder een nieuw huis verstond hij dan het schavot, waarop zij zou verbrand worden". — Dit mocht wel volgens dien braven en geleerden Jezuïet, het was immers geen liegen. —

7

Sluiten