Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VII.

Bezittingen der Kerk. — Kleine mededeelingen omtrent den toestand der Kerkekas. — Staat van ontvangsten en uitgaven in 1799. — Gevolgen van de tiërceering. — Keur van Maar» 1727 omtrent het „inkomen van vreemdelingen. — Kaarsenkroon en zitbanken. — Het kerkhof. — De „graafmaaker". — Emolumenten van dezen functionaris. — „Ordonnantie van de Oraven en 't Oravenmaaken in de Kerk en 't Kerkhof van Maas-Land, 1 Junij 1671, vermeerderd op 2 Meij 1724".

Met de tijdelijke behoeften der kerk hangen de financiën nauw samen. Deze laatste sproten voort uit het verhuren van eenig kerkeland, en uit de rente van effecten en obligatiën.

Wij bepalen ons eerst tot het bezit van onroerend goed.

Toen in 1809 door de regeering van het Koninkrijk Holland een onderzoek werd ingesteld naar de bezittingen en goederen der verschillende kerkelijke gemeenten in ons vaderland, gaven Kerkmeesteren der Ned. Herv. Gemeente alhier op, dat die bestonden in een stukje land, groot acht hond, en voorts in.... daarover aanstonds.

Dit landbezit is in vorige eeuwen grooter geweest. Immers: we lezen, dat Arij Klaas Valkenis, overleden in 1754, een stuk land, groot 2 morgen 4 hond, gelegen in den Kralingerpolder, ten zuiden belendende aan het Gaachwater, legateerde. En verder teruggaande komen we aan een „lijst of specificatie van alle de kosten gevallen aan den Buitendijk van de Kerkmeesterslanden cedert het jaar

Sluiten