Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met de komst van den vierden voorganger der Hervormde gemeente alhier kwam de strijd, die de Protestanten verdeelde, ook in deze gemeente. Die voorganger was de Delftsche candidaat Abraham Cornelis van Vliet, die, 13 Maart 1605 alhier beroepen, al spoedig beschuldigd werd de Remonstrantsche gevoelens te zijn toegedaan, en die ook in het openbaar geleeraard te hebben. Dit had tengevolge, dat hij door de synode gedagvaard werd om voor haar te verschijnen. Nadat hij aldaar gehoord was, werd hem afgevraagd, of hij bereid was de Canons der synode te onderteekenen. Leeraar Van Vliet gaf hierop dit antwoord: „Ik heb deze Canons gezien, gelezen en overwogen, maar ik kan ze, behoudens een goede conscientie, niet onderschrijven, dewijl ik ze in strijd met de Schriften vind". Na deze verklaring werd de leeraar van zijn kerkelijken dienst, met den aankleve van dien, ontzet en hem alzoo de „acte van stilstand", waarbij hij beloven moest voortaan een ambteloos leven te leiden, voorgehouden. Ook dit weigerde hij, zeggende: „Vooralsnog ben ik van zins niet te preken, maar mij dunkt, dat die acte wat meer inhoudt; ik kan ze nog niet aannemen. En het dunkt mij vreemd, dat men mij niet met vrede laat, daar ik geen kerkedienaar meer ben. De woorden der acte: van nu voortaan — hebben m. i. wat veel in". Toch heeft deze predikant later de bedoelde acte onderteekend, met andere predikanten, die ook eerst weigerachtig waren, en wel in September 1619.

Als opvolger van ds. Van Vliet in het predikambt bij de Nederduitsch Hervormden alhier staat vermeld ds. Johannes Taurinus. Deze predikant werd 7 December 1609 als leeraar der Nederduitsch Hervormde gemeente te Delft bevestigd. Blijkbaar kon hij zich eerlang niet meer met de Contra-Remonstrantsche gevoelens vereenigen, althans 4 Augustus 1618 vertrok hij vandaar naar Den Haag om aldaar het predikambt bij de Remonstrantsche gemeente te aanvaarden, doch kort daarna is hij als zoodanig door de synode te Delft afgezet. In het volgend jaar heeft ds. Taurinus, na openlijke schuldbekentenis, zich weder met de Kerk verzoend en zich weder als predikant bij de Hervormde gemeente beroepbaar verklaard. Het was Maasland, dat hem nu weder beriep, en waar hij in September of October 1619 bevestigd werd.

Sluiten