Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te blusschen. Ook werd men er op bedacht om uitbreiding ervan te voorkomen. Er werden wijkbrandmeesters aangesteld, op wier kloppen de deur geopend moest worden; die recht hadden alles te onderzoeken en wier bevelen nagekomen moesten worden. Die brandmeesters stelden in hun wijk een brandwacht aan, en op welken tijd er ook brand uitbrak, ieder ingezetene moest zich naar de plaats de plaats des onheils begeven, voorzien van een emmer of ladder en liefst ook van een stormhoed, waarmee men tegen neervallende stukken steen of hout beschut was. Elke wijk had te zorgen, dat er steeds een voldoend aantal watertioggen en brandhaken aanwezig was. De brandemmers werden in den regel in de hoekhuizen der straten bewaard.

En nu de maatregelen tegen de verspreiding van brand. In sommige steden bestond het gebod, dat ieder zijn huis „met hard dak" afdekken meest. Nu ging het goed dit te gebieden voor huizen, die vertimmerd of nieuw gebouwd moesten worden, maar voor bestaande was dit gebod moeilijk. Maar sommige vroedschappen wisten raad; wie zijn strooien dak wilde afbreken, zou „van de stad om niet tegelen of leien ontvangen. Keizer Karei V ordineerde, dat de houten huizen door steenen moesten vervangen worden, maar er liep nog heel wat water door de Maas eer er eenige verbetering van aanbelang kwam.

Om een brand te stuiten gebruikte men brandzeilen en brandhaken. De eerste werden bij brand aan de nabijzijnde huizen gehangen en voortdurend nat gehouden. De laatste dienden om woningen, naast het brandende gebouw gelegen, omver te halen en zoodoende het woedende element in zijn vaart te stuiten. Toen eenmaal het buskruit was uitgevonden, werd ook dit wel gebruikt om de panden te vernielen, die zich in de onmiddellijke nabijheid van het brandende perceel bevonden.

Gedurende een paar honderd jaar was de leeren brandemmer het eenige en eigenlijke bluschmiddel. Zoodra er brand uitbrak, wierp hij, die enkele van deze in zijn huis te bewaren had, ze op straat en dan nam wie maar grijpen kon, ze mee naar den brand. Maar waar haalde men de ladders vandaan? Die hingen of tegen leuningen van bruggen öf tegen zijgevels van hoekhuizen, vanwaar ieder ze in tijd van brand kon wegnemen. Tegen de nabijzijnde huizen gezet, klommen allen, die hulp verleenen wilde,

Sluiten