Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfs bevatting afbeelden, en deze ijdele bevatting zijns verstands tracht hij nu uit te drukken in eenig werk. Het verstand ontvangt den afgod, de hand baart hem. De menschen gelooven niet dat God bij hen tegenwoordig is, tenzij Hij Zich stoffelijk aanwezig vertoont; zie Exod. 32 : 1. De Israëlieten wisten wel dat er een God was, wiens kracht zij in zoovele wonderen hadden ondervonden ; maar zij vertrouwden niet dat Hij hun nabij was, zoo zij geen lichamelijk teeken van zijn Aanzijn zagen, dat hun tot een bewijs was van de leiding Gods. Nu Mozes weg was, wilden zij beelden hebben. Om nu aan deze blinde begeerte te voldoen, hebben de menschen in 't gemeen teekenen opgericht, waarin zij geloofden dat God voor hunne vleeschelijke oogen aanwezig was.

Hierop volgt onmiddellijk de aanbidding van God in de beelden. Vervolgens van de beelden zelve alsof er iets Goddelijks in lag. En zoo gaat de mensch van kwaad tot erger.

Zegt men : „de beelden worden door ons niet voor goden gehouden." Nu, zoo dwaas waren ook de Israëlieten in de woestijn niet. Zij wilden wel dien God, die hen verlost had, behouden, zoo zij Hem slechts mochten aanschouwen als vooi hen heengaande in het kalf. Zelfs de heidenen moeten zoo dwaas niet geacht worden. Zij ook zeiden ten tijde van Augustinus : „wij vereeren niet dat zichtbare beeld, maar de godheid, die daarin onzichtbaar woont."

Maar dat er toen, noch nu, aanbidding van beelden plaats heeft, is eene tastbare leugen. W aarom werpt men zich vooi die beelden neder? Waarom wendt men zich in het gebed tot hen ? Waarom nu weer het eene, dan weer het andere aangebeden? Waarom bedevaartreizen naar bepaalde beelden , enz. enz.

//Wij noemen ze niet onze goden" zegt men. Ook de Joden en heidenen niet. En toch werden zij er gedurig over berispt.

Men heeft ook onderscheid gemaakt tusschen Idolodoeleia en Idololatreia. Dit is echter eene spitsvondigheid om de oogen der eenvoudigen te verblinden.

Nochtans mag men in 't algemeen wel beelden dulden. De graveer- en schilderkunst zijn ook gaven van («od, maar wij mogen die niet bezoedelen door een verkeerd gebruik en tot ons eigen verderf. Het is onbetamelijk God onder eene zichtbare gedaante af te beelden, wijl Hijzelf het verboden heeft en

Sluiten