Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zulk eene wijze van hen, dat zij ons doet denken aan geestelijke zelfstandigheden van eene op zich zelt staande natuur.

Bijgeloof is het voorts te meenen, dat de engelen voor ons toedieners en gevers zijn van alle goede dingen, en hun deswege eenige eer toe te brengen. Paulus had den strijd met de zoodanigen, Coll. 1 : 16-20. En de engel verbood Johannes hein te aanbidden, Openb. 19 : 10; 22 : 8, !).

Vraagt iemand : Waarom bedient God Zich van engelen om te doen wat Hij ook onmiddellijk doen kan ? — dan is het antwoord : Om onzentwil, opdat wij alleszins getroost en gerust zouden wezen. Wij moesten wel altijd volkomen gerust gesteld zijn door de verzekering dat de Heere onze Beschermer is, doch nu is God zoo nederbuigend goed, ons ook de hulp en bescherming zijner ontelbare trawanten toe te zeggen. Hij wil dus ons gebrek tegemoet komen, 2 Kon. (5 : 17, en onze hoop te vaster op Hein vestigen. Hoe verkeerd is het dan, dat de engelen ons van God afleiden ! Zij behooren ons juist tot Hem op te leiden, opdat Hij alleen de eer ontvange.

Wat de Schrift ons aangaande de duivelen leert, heelt in 't algemeen de strekking, dat wij ons wachten zullen voor hunne listen en lagen, en ons van goede wapenen voorzien. Te dien einde wordt hij genoemd : „god en vorst dezer eeuw, „een sterk gewapende," ,/een geest die de macht heett der lucht, „een brullende leeuw," enz., terwijl soms de vermaning er ook uitdrukkelijk bijgevoegd wordt, 1 Petr. 5: 8; Ef. (5: 12.

Om onze waakzaamheid en strijdvaardigheid en vertrouwen op God te bevorderen, verklaart ons Gods Woord dat er rele duivelen zijn, Mark. 1(5 : » (Maria Magdalena); Matth. 12 :43 ; Luk. 8 : 30 (Legio). Deze allen hebben één hoofdvorst, Matth.

25: 41 (de duivel en zijne engelen).

De eere Gods, het belang van Christus' Koninkrijk, onze zaligheid — moeten ons tot emstigen strijd tegen den duivel aansporen. Hij is de aartsvijand van dat alles. Heett hij niet den inensch tot ongehoorzaamheid verleid eii in het verdert gestort? Is hij niet een inenschenmoorder en leugenaar van den beginne? Is hij niet de vijand, die het onkruid zaait om het goede zaad te verslikken? Johannes zegt (l*te brief hfdst. 3:8): „hij zondigt van den beginne" d. i. hij is de vinder, leidsman en werkmeester van alle boosheid en ongerechtigheid.

Sluiten