Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet is desgenen die wil," hoewel ze gedurig erkennen, dat alles door God gegeven moet worden — toch bestraffen, berispen, vermanen en waarschuwen zij met allen ernst. Evenzoo Mozes en de profeten. Zij scherpen de geboden in, zij bedreigen de overtreders, en gewagen toch van Gods onmisbare genade in de besnijdenis des harten, het schrijven van de wet in het binnenste, het formeeren van vleezen harten, enz. Waartoedienen dan de vermaningen? Tegen de goddeloozen zullen ze eenmaal voor Gods rechterstoel getuigen, van welk getuigenis ze nu reeds in het geweten iets gevoelen. Den geloovigen zijn ze een door God gewild en niet onvruchtbaar middel tot overtuiging van zonde, om hunne traagheid te verdrijven, het vermaak in de ongerechtigheid weg te nemen, haat en afschuw tegen de zonde en lust tot gerechtigheid in te boezemen.

2. Schriftuurplaatsen.

Deze zijn meer in aantal dan in gewicht. Zij wijzen daarbij vooral op te at God gebiedt, en zeggen : óf God spot met ons, óf wij kunnen doen wat Hij eischt. Deze beweging komt voort uit eene allergrofste onwetendheid aangaande de wet, die geestelijk is, en het doel, waartoe zij gegeven is, n.1. om ons van ons onvermogen te overtuigen, Gal. 3 : 19; Rom. 3: 20; 7: 7; 5 : 20. Vergelijk ook 1 Tim. 1 : 5 met 1 Thess. 3 : 12, waar Paulus bidt om hetgeen de wet gebiedt. Hierom heeft de Heere nevens de wet zijne beloften gegeven, waaruit ons onvermogen en de noodzakelijkheid der genade blijken, zoodat wij tot het gebed gedrongen worden.

Is dan de wet voor stokken en blokken gegeven ? Immers neen ! Noch de goddeloozen zijn stokken en blokken, naardien zij, door de wet onderwezen dat hunne booze lusten tegen God strijden, door de getuigenis van hun geweten beschuldigd worden ; noch de godvruchtigen, daar zij, van hun onvermogen overtuigd, tot de genade de toevlucht nemen. Augustinus zegt: ;/God beveelt hetgeen wij niet kunnen, opdat wij zouden weten wat wij van Hem begeeren moeten." „Geve God wat Hij gebiedt, en gebiede Hij wat Hij wil."

Calvijn bespreekt voorts drie soorten van geboden :

a. Geboden, die de eerste bekeering tot God vorderen.

b. Geboden, die eenvoudig spreken over de onderhouding der wet.

Sluiten