Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gods genade is het oude volk alleen in den Middelaar geopenbaard. Om van de offeranden der wet nu maar niet te spreken, is dit tocli duidelijk, dat de zalige en gelukkige staat der kerk altijd in den persoon van Christus is gegrond geweest. Volgens Gal. 3 : 16 is Christus eigenlijk het zaad, in hetwelk alle volken gezegend zouden worden. De beloofde zaligheid heeft dus slechts vastigheid in Christus, van wiens genade ook de eerste der uitverkorenen afhankelijk was.

Bliikbaar is dit allen godvruchtigen in 't gemeen bekend geweest. Zie 1 Sam. 2: 10: „God zal zijnen Koning sterkte geven, en den hoorn zijns Gezalfden verhoogen." Zoo zong Hanna voordat er een koning was. Het wil zeggen : God zal zijne kerk zegenen in Christus (vgl. vs. 35). In David en zijne opvolgers wordt ons een levend beeld van den Christus vertoond" Ps. 2 : 12 ; Joh. 5 : 23. Het verbond Gods bleef in David en zijne opvolgers bestendig, 1 Kon. 11: 12, 34, 39; la: 4. Om Davids wil wordt Juda niet verdorven, 2 Kon. 8: 19. In David wordt Israël gezegend, Ps. 78: 60, 67. \ an dat Hoofd hangt de behoudenis en welvaart der kerk af, Ps 28 . 8 ; 20 : 10; 118 : 25, 26 ; Klaagl. 4 : 20. Op den Gezalfde, den Koning, den Christus zijn de vaderen dus altijd gewezen,

opdat zij op Hem hun geloofsvertrouwen zouden richten. Wordt

in benarde omstandigheden troost beloofd of verlossing voorspeld, steeds wordt de banier des vertrouwens en der hope in Christus opgeheven. Hab. 3 : 13, „God is uitgetogen ter verlossing zijns volks met zijnen Gezalfde." Gedurig wijzen de profeten op de toezegging aan David gedaan, op de eeuwige duurzaamheid des koninkrijks, Jes. 7 : 14 (de koning Achaz en het volk mogen de voorgestelde belofte verwerpen, het verbond zou nochtans niet te niet gaan, naardien de Verlosser op zijn tijd zou komen). Aan het rijk van David hing de verlossing en de eeuwige zaligheid ; vandaar wordt van dit rijk gedurig gesproken, als er van heil en zaligheid sprake is. Jes. 5a : 3 („de gewisse weldadigheden Davids"); Jer. 23 : 6; Ezech. 34 : 23; 37 : 25, 26; Hos. 1 : 11; 3 : 5; Micha 2 :13; Amos 9 : 11 ; Zach. 9 : 9 enz. Uit alle die plaatsen blijkt, dat de hoop van alle geloovigen nooit op iets anders is gevestigd geweest dan op Christus.

Hoe ook verbasterd, zoo is toch de gedachtenis van dit alge-

Sluiten