Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trouwen op (ïods barmhartigheid ten eeneninale verliezen. Zie het in David. Hij was voorzeker een treffelijk voorbeeld van geloof. Toch blijkt uit vele klachten, dat hij niet altijd even gerust van harte was Ps. 42 : <>; 31 : 23; 77 : 10; 116 : 7. En evenwel hield hij niet op zich tot God op te heffen, terwijl hij zichzelven bestrafte en tegen zijn eigen zwakheid streed Ps. 27 : 14. Hij had geen behagen in zijne vreesachtigheid en slingeringen, maar legde zich naarstig op verbetering toe. Vergelijk hem met Achaz (Jes. 7: 4 vv.), die, schoon hij de belofte gehoord had, bleef vreezen en zich van God afkeeren. Dit een en ander is te verklaren uit de tweeslachtigheid van vleesch en geest in den geloovige. De ongeloovigheid, die in de overblijfselen van het vleesch steekt, verheft zich gedurig om het geloof, dat in het binnenste ontvangen is, te bestrijden. Dientengevolge is de verzekerdheid met twijfel gemengd. Toch is het geloof daarom niet eene duistere en onbestemde kennis van den goddelijken wil te onzen opzichte. Ofschoon soms geslingerd en her- en derwaarts gedreven, komt het geloof toch eindelijk al die zwarigheden te boven.

Nogmaals : zoodra zelfs de geringste druppel geloof in onze gemoederen gevallen is, beginnen wij reeds Gods aangezicht als vriendelijk, liefelijk en goedertieren jegens ons te aanschouwen ; eerst wel uit de verte, doch met een zoo gewissen blik, dat wij weten dat wij geenszins mis zien. Hij voortgaande vordering komen wij nader, en wordt velerlei onwetendheid allengskens weggenomen. Het is dus een zeker schoon niet onbelemmerd aanschouwen.

In die belemmeringen deelt de gansche Kerk, 1 Cor. 13 :9. RIaar ook in die zekerheid, 2 Cor. 3 : 18.

Uit dien toestand van betrekkelijke onwetendheid en duisternis, in verband met de neiging van ons hart en de velerlei aanvechtingen, in verband ook met ons geweten, tegenspoed enz., komt nu veel twijfel en ontsteldheid voort. Uit dat arsenaal ontleent het ongeloof wapenen om ons van het geloof af te brengen, d. w. z. dat wij ineenen zouden, dat God ons tegen en vijandig is.

't Geloof daarentegen onleent de wapenen uit het arsenaal van Gods Woord. Daardoor komt het godvruchtige gemoed, schoon op wonderbare wijze geroerd en gekweld, al die zwarig-

Sluiten