Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

samen. Zie daarentegen 1 Joh. 2:1; 2:12; Joh. 1 : 2!»; 2 Cor. 5 . 20; Coll. 1 : 20. De eenige, altijddurende verzoening voor de geloovigen is dus - Christus. Door iets aan de werken toe te schrijven wordt de eer van Christus geschonden. .les. 53:4, 6; 1 Petr. 2 : 24; Kom. 8 : 3.

Ook blijven bij die leer der voldoening door de werken de gewetens van den waren vrede verstoken. Wanneer is de maat der voldoening vervuld ? Die ernstig over het oordeel Gods en over de zwaarte der zonde denkt, kan zich niet met kleine voldoeninkjes tevreden stellen. En hoeveel zonden worden bedreven, tot welker voldoening geen honderd levens genoegzaam zouden zijn ! Zoo blijft de conscientie in twijfel omtrent Gods genade, en dientengevolge in benauwdheid en vreeze.

Een nuttelooze uitvlucht is 't onderscheid te maken tusschen vergefelijke en doodelijke zonden. Voor doodelijke zou dan een zware voldoening, voor de vergefelijke eene lichtere noodig zijn. Maar ofschoon ze niet alle in zwaarte gelijk zijn rust toch op alle zonden het vonnis des doods, Ezech. 18 : 20; Rom. <> : 23. En zoo maakt men zich dan te midden van de z.g. voldoeningen gedurig des doods schuldig, want ook de allerrechtvaardigste struikelt gedurig. En zoodoende is het in alle opzichten eene hopelooze zaak.

Een andere uitvlucht: er is onderscheid tusschen straf en schuld ; de schuld wordt door de barmhartigheid Gods vergeven, maar na het vergeven der schuld blijft de straf nog, die de rechtvaardigheid Gods hetaald wil hebben; de voldoeningen dienen dus eigenlijk tot kwijtschelding der straf. (Ze leeren ook wel dat de vergeving der schuld door gebeden etc. verdiend wordt). Hiertegen strijdt alles wat. de Schrift van de vergeving leert. B.v.: „niet meer gedenken" — „achter den rug werpen" — wals een nevel uitwisschen" — „in de diepte der zee doen verzinken" — „niet toerekenen" — „bedekt houden." Jesaja zegt: de straf was op Hem, 53 : 5.

Paulus noemt de verlossing een „rantsoen" = genoegdoening, Rom. 3 : 24 enz. Mozes wijst geen andere zoenmiddelen aan dan offeranden, die op Christus zagen. En wat zou Christus toch voor ons gedaan hebben, indien van onze zonden nog straf geëischt werd ?

Voorts beroepen zij zich op Gods Woord.

Sluiten