Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lus' stelling is klaar en algemeen ; hij sluit zelfs de geringste hulp der werken uit. Door zichzelven vermogen voorzeker de werken niets — maar na de rechtvaardigheid des geloofs komen de werken ook in een ander licht; want al de onvolkomenheid, die in hen is, wordt door de volkomenheid van Christus bedekt. De schuld van alle overtredingen is van de geloovigen weggenomen, het gebrek van onvolmaaktheid begraven, en zoo worden de goede werken der geloovigen rechtvaardig geacht of tot rechtvaardigheid toegerekend. Dat komt dus van de rechtvaardigmaking des geloofs en niet door de zuiverheid of waardigheid der werken zelve. De rechtvaardigmaking des geloofs is het beginsel, de grondslag, de oorzaak, het bewijs en de stof van de rechtvaardigheid der werken. Deze wordt dus door gene veroorzaakt, gene door deze niet verminderd, maar bevestigd. Immer waar blijft dus Rom. 4 : 7 (Ps. 32 : 1). De zaligsprekingen uit de werken, Ps. 112 :1 en dergelijke, vloeien alleen voort uil de zaligheid van de vergeving der zonden. En zoo moet ook verklaard, dat de geloovigen vaak „rechtvaardigen" genoemd worden wegens de heiligheid van hun leven.

Maar wederspreekt Jacobus deze leer niet? Jac. 2 : 14 vv. Het zeggen van twee dienaars van Christus, door wie de H. Geest spreekt, kan niet strijden. De Geest strijdt niet met zichzelven. De oplossing der zaak is deze. Oogmerk van Jacobus was om de mond- en schijngeloovigen te bestraffen, die wel zich op geloof beroemden, doch niet de werken deden aan de geloovigen eigen. Der zoodanigen dwaasheid ontdekt de Apostel. Voorts begaan de tegenstanders een dubbelen misslag. 1. In de opvatting van het woord „geloof". Hij noemt zoo den ijdelen waan van geloof bij die menschen — geloof zonder werken — dood geloof — erger dan de kennis der duivelen. Het Christelijke geloof heeft een heel andere natuur. Datzelve rechtvaardigt niet, omdat het eenige kennis van het goddelijke Wezen ontvangt, maar omdat het berust op de zekerheid van zijne barmhartigheid. 2. In de opvatting van het woord //rechtvaardigen". Jacobus spreekt niet van de toerekening, maar van het uiterlijk bewijs der rechtvaardigheid. Hij beredeneert niet op welke wijze wij gerechtvaardigd worden, maar hij vordert van de geloovigen de daadwerkelijke rechtvaardigheid. Zij kunnen niet rechtvaardig geacht worden, die goede werken missen.

11

Sluiten