Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar er slaat ook : „velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren," Matth. 22 : 14, en : „die staat, zie toe, dat hij niet valle" 1 Cor. 10 : 12, en wederom : „wees niet hooggevoelende, maar vrees; want God kan ook u wederom afhouwen" Rom. 11 : 20, 22. Ook leert ons de ervaring, dat niet allen volharden. Kunnen, mogen wij dan wel zoo gerust zijn ?

Hier tegenover dienen de beloften van bewaring en volharding. Joh. 6 : 37, 40; 10 : 27; Matth. 15 :13: (wat door den Vader geplant is wordt niet uitgeroeid), 1 Joh. 2 : 19 (ze zijn uit ons uitgegaan, omdat ze van ons niet waren), Rom. 8 : 38 (roemtaal over de gave der volharding), Filipp. 1 : 6 („die in u het goede werk begonnen heeft....), Ps. 138 : 8 („laat niet varen ...."), Luk. 22 : 32 (bede van Christus om volstandigheid in het geloof). Behooren wij dan niet te vertrouwen, dat wij in eeuwigheid zalig zullen zijn, dewijl wij in eeuwigheid zijn eigendom zijn geworden ?

Maar zijn er niet die afwijken en afvallen ? Immers de zoon der verderfenis, Joh. 17 : 12. De zoodanigen hebben Christus nooit met een recht geloof aangekleefd, 1 Joh. 2 : 19 („omdat zij van ons niet waren"). Dit behoeft ons, die Christus met een waar geloof aannemen, niet te verhinderen ons gerustelijk neer te leggen op de belofte des Heeren (Joh. 3 : 1(5; 6 : 39).

Wat Rom. 11 : 20 en 1 Cor. 10 : 12 betreft, de Apostel waarschuwt daar niet tegen de gerustheid als zoodanig, maar tegen de vleeschelijke gerustheid, die uit zorgeloosheid voortvloeit en hoogmoed kweekt; hij spreekt tot de heidenen, die zoo licht de Joden verachtten, boven welke zij begenadigd waren.

Wat Matth. 22 : 14 aangaat — er is eene algemeene (uitwendige) en eene bijzondere (inwendige) roeping. Zie ook Matth. 22 : 2 (noodiging tot den maaltijd — bruiloftskleed) (die geen bruiloftskleed aan hebben — die door belijdenis des geloofs de Kerk binnengaan, doch geenszins aangedaan zijn met de heili0inaking van Christus). De inwendige roeping alleen, die den Geest der wedergeboorte met zich brengt (Ef. 1 : 13, 14) is het kenmerk der verkiezing.

Wat Judas betreft (Joh. 17 : 12) — Judas was niet een schaap, doch besloeg de plaats van een schaap, en zoo werd hij er onder gerekend. Overigens wordt van hem op tweeërlei

Sluiten