Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werden den gevallenen sommige formaliteiten opgelegd als teekenen van boetvaardigheid. En dan werd hij weder opgenomen met oplegging der handen van den bisschop en de clerici. — Deze tucht werd over allen geoefend, zelfs over de vorsten (keizer Theodosius). Vooral voor de grooten der aarde is het wel noodig de waarheid te hooren.

De tuchtoefening moet geschieden door de ouderlingen, met medeweten en toestemming der gemeente. Zoodoende wordt willekeur voorkomen. Voorts geschiedde alles met aanroeping van Gods naam en gepaste defttgheid. Men moet kunnen merken dat Christus er bij tegenwoordig is.

Strengheid ga met zachtmoedigheid gepaard. 2 Cor. 2 : 7 „opdat hij door droefheid niet verslonden worde." Als de zondaar aan de gemeente bewijs geeft van zijne boetvaardigheid, en daardoor het schandaal zooveel in hem is uilvvischt, moet hij volstrekt niet verder gedwongen worden. — De ouden waren in dit stuk wel wat al te hard en weken van het voorschrift des Heeren af. Daardoor werd hun tuchtoefening gevaarlijk ; immers leidende tot geveinsdheid of wanhoop. Ze legden iemand soms openlijk boete en onthouding van het Avondmaal op voor drie, vier, of zeven jaren, ja soms zelfs voor het gansche leven. En die ten tweede male viel stond onverbiddelijk buiten de kerk. Dit was de regel. Sommigen echter waren milder, zooals Cyprianus, Chrysostomus en Augustinus, doch zij konden tegen den stroom niet op.

Niet alleen de kerk moet in deze goedertieren zijn, maar ook ieder bijzonder persoon. Men moet de gebannenen niet voor verworpenen houden, niet wanhopen aan hun behoudenis, niet ophouden voor hen te bidden en hen te vermanen ; niet den persoon, maar zijne werken moet men oordeelen. 2 Thess. 3 : 15. Door den zondaar voor zijn eeuwig verderf te waarschuwen roept men hem terug tot den weg der behoudenis. Men acht hem dus niet reddeloos verloren. — Anders is het met de vervloeking (anathema), welker toepassing echter zeer zeldzaam of geene is. — „Hij zij u als de heiden en tollenaar" (Matth. 18) wil zeggen : heb met zoo iemand geen geineenzamen omgang, geen innige vriendschap.

Tucht is noodig, maar al wordt die wat slap behandeld, daarom mag men niet onmiddellijk de kerk verlaten, of zijn

Sluiten