Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

analyses van C. succirubra, bevestigden het hoog alkaloidgehalte van deze kinasoort. Een lancifolia trof aandacht door betrekkelijk hoog kinine-gehalte en een twintig jaren oude C. rahudiana kon den kwaden naam van deze niet opheffen" ,,De onderzochte wortelbasten van C. C. javanica C C Schuhkraft en C. succirubra, bleken in samenstelling vrij'wei overeen te komen met de stambasten derzelfde soorten Mocht men verschil zoeken, dan zou dit hierop neerkomen, dat de wortelbast over 't algemeen, wat meer Cinchonine houdt dan de stambast".

Proeven aanvaard ter naspeuring van mogelijke invloeden der verschillende seizoenen op het bast-gehalte, konden nog met tot eenige conclusie voeren. Daarentegen wezen de ter zake met overleg verrichte analyses, op het feit, dat in basten van denzelfden stam, op dezelfde hoogte gesneden een groot verschil in alkaloid-gehalte kan worden aangetroffen' doch dat de oorzaak daarvan nog niet bekend is en o. a! niet schijnt te mogen worden toegeschreven aan de mate van licht waaraan de bast is blootgesteld. De heide onderzochte boomen stonden aan de Oost-zijde geheel vrij, doch voor 't overige door andere boomen ingesloten. Bij den eenen boom nu bevatte de Oost-, bij den anderen dé West-zyde de geringste hoeveelheid alkaloïd, zoodat beide waarnemingen elkander veronzijdigden".

„Vergelijkende analyses gaven geen verschillen bij boomen op \ erschillende hoogten boven zie (1241-1950 meters). De groote verschillen, die in het alkaloïd-gehalte voorkomen mochten dus nog worden toegeschreven aan het groot aantal \ aneteiten, dat bij iedere kinasoort wordt aangetroffen, minder aan invloed van klimaat en bodem. Deze werden wel geacht invloed te kunnen oefenen op de quantiteit maar, waarschijnlijk met op de qualiteit." (Voortgezette cultuur en waarnemingen hebben intusschen den machtigen invloed van bodemgesteldheid wel degelyk in het licht gesteld).

„In 1866 werd, op het erf van de passangrahan te Tjinjiroean, een proef genomen met enten van Calisaja (inferieure) op Pahudiana, door middel van griffelen. In 1873 stonden die boompjes er goed voor; griffel en voorwerp volkomen saamgegroeid. Moens wenschte nu te onderzoeken of voorwerp en ent wederzyds invloed hadden geoefend op het alkaloid-gehalte en zijn onderzoek had inderdaad een treffend resultaat, dat Moens aldus uitdrukte: Deze proef schijnt een steun te zyn voor het denkbeeld, dat de aard der alkaloïden, die in den bast der verschillende Kina-soorten worden

Sluiten