Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1882. „Was uit vorige onderzoekingen gebleken, dat de na afschaving vernieuwde bast van C. L. na één en zelfs na twee jaren, bij boomen van 15-jarigen leeftijd nog niet weder op het oorspronkelijk kinine-gehalte was teruggekeerd, nu waren bij een groote party boomen drie jaren tyds gegund om zich te herstellen en toonde een analyse aan, dat het vernieuwd schaafsel 9.26 pCt. kinine hield, zynde bijna 1.5 pCt. meer dan de oorspronkelijke, twaalfjarige bast, die, volgens een in 1879 onderzocht monster, toen 7.8 pCt. hield."

„Sommige uitkomsten van analytisch onderzocht geënte boomen, gaven een betrekkelijk hoog gehalte cinchonidine en scheen hierdoor een oogenblik de vrees gewettigd, dat door den Succirubra-stam toch eenige invloed op de Ledger-griffel werd geoefend. En, eveneens, was het kinine-gehalte in de >Succ.-stammen wat hooger dan gewoonlijk, zoodat dit op een wederkeerige werking van ent en onderstam kon duiden. Andere partijen konden die vrees echter weder opheffen daar te verklaren bleek, dat griffels werden gebezigd van cinchonidine-houdende moederboomen. Voortaan zou nu alleen geënt worden van boomen in wier bast geen cinchonidine voorkomt".

Deze en zoovele andere wedergegeven en nog aan te teekenen feiten wijzen er op, hoe, bij het aanvaarden van proeven, met aanstonds gelet werd op, of gedacht aan factoren en motieven, welke de proeven kunnen beheerschen, terwijl men ze toch buiten rekening hield. Een verwijt wordt hiermede niet bedoeld maar wel gesterkt de dezerzijds zoo menigmaal gemaakte opmerking, dat men doorloopend wel wat vlug geweest is met hypothesen en zelfs stellingen, welke inderdaad nog geen steun konden vinden in wèl bevestigde, onweêrsprekelijke verschijnselen.

„Door de analyse van Officinalis-basten werd opnieuw bevestigd, dat de wortelbast dezer soort zeer rijk is aan kinine en deze ook in den stambast zeer aanzienlijk kan zijn".

„De eenjarige vernieuwde bast van een officinalis-hybride die in zijn oorspronkelijken bast 10 pCt. alkaloïd w. o. 2 pCt. kinine en 6,9 pCt. cinchonidine hield, wees op 2,8 pCt. kinine en 1,8 cinchonidine. De bast van een Cordifolia, te hioengoenoeng, hield een hoeveelheid kinine die belangrijk hooger was dan tot nog toe in den bast dezer soort werd gevonden".

Altegaar waarnemingen, welke m. i. getuigen, dat vergelijkende scheikundige onderzoekingen slechts waarde kunnen hebl)en als ze met botanische gepaard gingen, daar deze voor ■\ ergelijking in aanmerking konden worden gebracht.

„Onder de uit zaad van C. L. gewonnen planten werden

Sluiten