Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nu eens meer dan weder minder individuen aangetroffen, die door forschen groei en het groote, breede blad tot C. S. naderen en waarschijnlijk bastaards zijn van beide soorten. Een veertiental werd onderzocht en gaf van 2.08 tot 11.10 pCt. kinine. De Cultuur van de rijkste individuen zou zeer voordeelig zijn, indien ze, uit zaad gekweekt, getrouw het type teruggeven, daar ze gemakkelijker en sneller groeien dan C. L. en in denzelfden tyd meer bast produceeren. Een weinig van het zaad der basten werd uitgezaaid ten einde ervaring op te doen".

1883. Moens vertrok in Maart 1883 met verlof naar Nederland. Wel werd de heer Maas Geesteranus den tot directeur benoemden van Romunde nu als wd. adjunct toegevoegd en met het analyseeren belast, edoch, ingevolge een overeenkomst met Moens, hadden zijn analytische werkzaamheden geen beteekenis en werden hem een jaar later dan ook uitsluitend Cultuurwerkzaamheden opgedragen.

1884. In Juli 84 werd de heer M. G. eervol van de verdere waarneming zijner betrekking ontheven en de mil. apoth. 2e kl. P. van Leersum tot adjunct-directeur benoemd. Aan dezen werden nu de analyses in het belang der cultuur opgedragen.

„Tot einde '84 bepaalde zich deze tot het onderzoek naar boomen, bestemd voor kunstmatige vermenigvuldiging, waartoe de plantsoenen, verkregen uit zaden van moederboomen Nos. 23 en 38 het beste materiaal leverden".

„Opmerkelijk was het feit, dat onder de toch zoo fraaie afstammelingen van No. 23, zoovele (9 van de 13) met Cinchonidine houdenden bast aangetroffen werden, een alkaloïd dat in het type Ledger-zaailingen van No. 38 maar zelden (in 14 individuön toch 4 malen) wordt waargenomen en in den bast der beide moederboomen niet gevonden wordt. Zeer zeker alweder een opmerkelijk verschijnsel waarop sedert wel het oog mag worden gehouden".

1885. „De in dit jaar verrichte cultuuranalyses hadden m de eerste plaats ten doel, het verkrijgen (beter het speuren) %an ryke afstammelingen uit het zaad der rijkste moederboomen gekweekt, ten einde deze afstammelingen voor kunstmatige vermenigvuldiging te bestemmen en daaruit zaadplantsoenen te creëeren. Opmerkelijk heette het verschijnsel, dat de bast van al deze afstammelingen, ofschoon enkele

Sluiten