Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Op verzoek werden eenige proeven genomen ter beantwoording van de vraag, of het snijden van natten bast in kleine stukjes, een nadeeligen invloed op het gehalte uitoefent. Deze vraag is daarom van belang, omdat door het snijden van den bast in kleine stukjes, de tijd, voor drogen noodig, aanmerkelijk bekort kan worden. De directeur Van Leersum had in 1899 reeds een dergelijke proef genomen en bevonden, dat de gesneden bast minder inhield dan de ongesneden, waarschijnlijk ten gevolge van het sap-verlies bjj het snijden. De resultaten bij de analyses 94-111 verkregen, gaven voor de Ledgerbasten dezelfde uitkomsten, doch bij hybridebasten waren deze verschillend en bedroeg het kininegehalte in twee van de drie gevallen meer in den gesneden bast. De oorzaak hiervan kan nog niet gevonden worden en zullen de proeven daarom nog eens herhaald worden. Dr. Suringar van het Kina-proefstation „de Vrij" had uit twee analyses geconcludeerd, dat het gehalte door het snijden niet achteruitgaat".

De onderneming Daradjat liet ter zake ook een proef nemen, welke Suringar's besluit steunde. Maar daarom achten we het vraagstuk, zij 't al niet van overwegend belang, nog niet afdoend beslist.

Dr Viëtor Sibinga trachtte door vergelijkende grond-analyses de verschillen toe te lichten, welke in het vorig verslag behandeld zijn betreffende Tjikembang. Zeer uitvoerig, men mag zeggen zoo volledig mogelijk en in bizonderheden beschreven, onderzoek gaf ja kleine verschillen in het gehalte aan voor de plant belangrijke voedingsstoffen, met uitzondering van dat aan magnesia resp. op Zuidelijke en Noordelijke

helling in boven- en ondergrond en maar aan die

• l,oo i o

onbeduidende verschillen zou men het verschil in gehalte der plantsoenen aan de Z. en de N. helling toch moeielijk toeschrijven kunnen. Eer zou te denken zijn aan invloed van verschil in physische gesteldheid. Dr. Nanninga kwam door zyn onderzoekingen naar den invloed van den bodem op de samenstelling van het theeblad, tot de ontdekking, dat goed doorlatende gronden arm zijn aan mangaan en de weinig doorlatende veel mangaan bevatten.

En nu vond Sibinga in gronden van de Noordelijke helling in boven- en ondergrond resp. 0.48 en 0.70 mangaanoxyde tegen 0.29 en 0.33 in de gronden aan de Zuidelijke helling. Van meer invloed mogen we waarschijnlijk rekenen, dat de

Sluiten